Brief 3: mei 2022

Derde aflevering uit de serie Brieven aan Aboutaleb. Leestijd: circa 14 min.

Rotterdam, mei 2022

Dag burgemeester, dag mijnheer Aboutaleb,

Ja, nou deed ik het alweer! Ik had mijn telefoon nog wel extra diep in mijn tas weggestopt, helemaal onder de boeken en de boodschappen en toch: daar zat ik weer met dat vreselijke ding in mijn handen.

Terwijl mijn laptop opstartte, maakte ik mezelf wijs, kon ik nog wel even op Twitter kijken. Dat kostte geen tijd, maakte ik mezelf wijs. Onzin natuurlijk, want één tweetje worden er altijd twee, twee tweetjes worden er altijd tien en voor je het weet, kijk je ook nog even op nos.nl en in je inbox  – en ben je een kwartier verder.

Het is een ziekte, een verslaving, die telefoon. Een instrument van de duivel is het, het boze oog van Alfabet en Meta dat op me loert. Mijn nieuwste strategie is om mijn telefoon weg te stoppen, in een la of in een tas, en áls hij in het zicht ligt er met zo hatelijk mogelijke blikken naar te kijken. Maar goed, daar zat ik dus alweer, voorovergebogen en vastgeklonken, snel nog even swipend en scannend, terwijl mijn laptop al lang en breed klaar was voor gebruik.

Het is een ziekte, ik ben verslaafd. Verslaafd aan de opwinding van nieuws en nepnieuws, van ophef en schandaal. Ik kick op de vermeende erkenning van likes en retweets en van mails en appjes, de rode balletjes op het scherm van mijn telefoon en de pingeltjes die het ding produceert. Hoe vaak check ik mijn mail en mijn sociale media op een dag? Tientallen keren per dag onderbreek ik mijn werk, mijn rust, mijn gedachten in de hoop op opwinding en erkenning. Kansloos is het. Zie mij aan. Ik ben een geketende, en de enige die mij kan verlossen… ben ik zelf natuurlijk.

Of denkt u dat de sociaaldemocratie iets voor me kan betekenen?

Ja, dag mijnheer Aboutaleb, vriendelijke groeten vanuit café Digters deze keer. Het spijt me dat mijn brief zo lang op zich heeft laten wachten. U zult voor uw brievenbus hebben liggen wachten. U zult uw secretaresse met een priemende blik hebben gevraagd of ze uw post wel goed bijhield. U zult uw podcastapp ververst en ververst en ververst hebben. Ja, ook u bent verslaafd, zo niet aan de pingeltjes van uw telefoon, dan toch wel aan interviewaanvragen, aan volle agenda’s waar keer op keer in gestreept en geschoven moet worden, aan stapels post, aan nota’s en briefings en brieven van ministers, wethouders en ambtenaren – en van verdoolde zielen als ik.

Gelooft u me, aan uw secretaresse ligt de vertraging niet, zij heeft niks verkeerds gedaan, ze stuurde me laatst nog een aardig mailtje. Dat ze me niet kon beloven dat u mijn ‘mooie brieven’ zou lezen, maar dat ze me veel inspiratie wenste. Haha. Een grapjas van een secretaresse heeft u. U had mijn tweets en mijn posts immers allang gezien, maar ze alleen niet geliket en gedeeld, omdat u dat uit hoofde van uw functie niet kunt maken.

Toch is de aanmoediging van uw secretaresse ook fijn, daar doe ik het ook al voor. En voor de reacties van de mensen die online meelezen en meeluisteren en die me overstelpen met mails en appjes natuurlijk. Haha. Steeds weer die pingeltjes van mijn telefoon. Quod non. Ik ben niet alleen een geketende, maar ook een dolend schaap en een roepende in de woestijn. Brieven aan Aboutaleb schrijven, eindeloos lange brieven over zielenroerselen die geen mens wat aangaan, en dan verwachten dat daar iemand op zit te wachten. Maar nouja. Een kudde zonder dolend schaap is geen kudde en een woestijn zonder roepende is geen woestijn, dus daar ben ik weer. Hoor mij aan, burgemeester, zie mij in mijn nood. Vergeet u mijn vorige brieven, dat waren maar vingeroefeningen. Probatii pennae. Hebban olla uogala, maar dan wat langer. Vandaag kom ik ter zake.

Maar voordat ik ter zake kom: laat ik eerst beschrijven waar ik zit. In Café Digters dus, ik zei het al, een mooie zaak met stijlvol, half hip, half industrieel, half sjiek meubilair en een moderne, volledig vegetarische kaart. Ik had thuis net een paar boterhammen met kaas en appelstroop op, maar terwijl ik de alinea’s hierboven zat te tikken, heb ik toch ook nog een ‘tosti Paramaribo’ met gemarineerde seitan, pindakaas en zoetzuur en een kop gemberthee laten aanrukken. Ik mag een geketende, een dolend schaap en een roepende in woestijn zijn, ik zorg dat ik mijn natje en mijn droogje krijg. Iemand moet het doen, toch?

Ja. Zie mij zitten op mijn vrije woensdagmiddag, zie mijn vingers en de toetsen van mijn laptop glimmen van het tostivet. Er zijn wel verslaafden in onze stad die er slechter aan toe zijn dan ik.

En toch wilde ik er een punt van maken, van die telefoon- en internetverslaving van mij. Ik kom net terug van vakantie – fietsen en tafeltennissen op Texel met de kinderen, kibbeling eten met zeelucht in je neus en zand in je haar en meer van dat soort heerlijks. En we deden leuke dingen in de stad met onze Rotterdampas. Twee weken liepen we rond in amusementsland Nederland en twee weken verbaasde ik me erover: hoe vreselijk we allemaal vastzitten aan onze telefoons. Op de fiets in de Texelse duinen. Op het strand. Tussen de tekeningen en de filmpjes van Job, Joris en Marieke en de installaties van Alexander Calder in de Kunsthal. In een huurkano op de Bergse Achterplas. Telefoon, telefoon, telefoon, telefoon. Daar lopen de gezinnetjes van Nederland. ‘Krijgen we een ijsje papa?’ ‘Huh, ik ben hier eventjes, eh… Ik eh…’ ‘Krijgen we nu een ijsje papa?’ ‘Huh? Sorry? Ik moest even een berichtje sturen, schatje. Wat zei je?’

Zelf kon ik mijn telefoon op de fiets en tijdens het wandelen geregeld negeren, ik val nog niet in de zwaarste verslavingscategorie, dus ik had ruim gelegenheid mijn collega-vakantiegangers te observeren bij hun geswipe en me erover op te winden hoe het grootkapitaal, die doortrapte Mark Zuckerberg en de net iets te slimme heren en dames van Google ons in hun greep hebben. Hoe we de mooiste momenten van ons leven met onze telefoons verdoen, met het voeden van het monster dat internet heet en alles, alles, alles doneren aan de gebroeders Koch en god weet welke verdorven venture capitalists in Silicon Valley nog meer. Ik zie ze zitten achter de glazen wand van de apps die we de hele dag bedienen. Breed grijnzend, handenwrijvend, zich afvragend hoe ze ons nóg verslaafder kunnen krijgen, hoe ze ons nog verder kunnen uitwringen.

Ik zit hier aan een van de routes die ik in het dagelijks leven vaak neem met de fiets. Van mijn huis naar het centrum rij ik langs de Rotte. Als er zwanen zwemmen, als er futen met plastic zakken en rietjes nesten bouwen, of als de platanen langs de kade weer uitlopen, zie ik dat vaak nog wel, maar verder ontgaat de schoonheid van de stad me vaak als ik hier rij. De tramrails liggen hier vlak langs het fietspad, er rijden hier, zoals overal in de stad, volop gekken met dubbele uitlaten en subwoofersets in de achterbak die tussen het schakelen en het sturen door hun Snapchat en hun TikTok bijwerken, en ik heb meestal genoeg om aan te denken als ik tien minuten op de fiets zit. Ik race, ik jaag mijn doelen na en de dode momenten in mijn dag gaan op aan Facebook en consorten, soms zelfs de dode momenten bij het stoplicht. Ik schrijf dit met het schaamrood op mijn kaken. Of nee, ‘ging’ moet ik schrijven. De dode momenten gingen op aan Facebook en consorten. Want daar heb ik mee gebroken, immers. Ik breek ermee. Ik wil ermee breken. Die vreselijke telefoon die van mijn dagelijks leven een duistere tunnel maakt, waarin ik niet meer op- en omkijk en waarin alle dagen op elkaar lijken, waarin ik me niet meer verwonder, maar afgestompt en gedachteloos voortjakker, mijn taken afvink en mijn mijmer- en verwondertijd doneer aan de Twitter, Google en co.

Ik wil leven zoals ik hier nu zit. Ik wil uit die tunnel van dopamineshots ontsnappen, ik wil over de stad uitkijken, me bewust zijn van de wereld waarin ik leef, van de schoonheid en de ellende om me heen. Kijk nou. Zie die majestueuze bomen. Zie de wereld voorbij trekken. De mooie moeders op hun elektrische bakfietsen. Zoef, zoef, daar gaan ze – altijd de wind in hun rug. Zie de heuptasjesjongens op hun lawaaiscooters hun avonturen tegemoet gaan. Zie de ontspannen boys in hun glimmende Audi’s en Mercedessen. Zie de geinende schoolmeiden op hun opoefietsen. Zie de boodschappentassenmoeders langssjouwen. Zie de wolken boven Noordplein. Slagschepen zijn het. Droomfabrieken. Kijk nou! Kijk nou! De wereld!

Ik overdrijf het allemaal, maar zo voelt het. Die telefoon neemt me in beslag en stompt me af. Die kinderen die verloren naast hun swipende en scrollende ouders over het strand liepen waren de druppel. Van de week heb ik het mijn dochters en mijn vrouw na het avondeten plechtig verklaard. Daar zaten we bij onze leeggelepelde yoghurtschaaltjes. ‘Jongens, ik moet jullie iets vertellen,’ zei ik. ‘Ik ben verslaafd aan mijn telefoon en ik wil afkicken.’ De krokodillentranen van de verstokte alcoholist ontbraken er gelukkig aan. Ik kon het nog strijdbaar – en kwaad – verklaren, ik kon er een vrolijke, energieke act van maken. Een lesje voor de kinderen ook: let op, telefoons zijn gevaarlijk. Maar ik zei het ook omdat ik wist dat je van een verslaving niet stiekem in je eentje kunt genezen. Dat je moet uitkomen voor een probleem en steun moet vragen als je er vanaf wilt komen. Daarom wilde ik het hier ook zwart op wit zetten. Hoe meer getuigen je hebt, hoe meer mensen je zullen herinneren aan je beloftes, hoe groter de kans dat je je eraan zult houden.

*

Zo, een ander onderwerp. De woningmarkt, daar wilde ik het al een hele tijd over hebben. Onze volkshuisvesting moet ik eigenlijk zeggen. Of eigenlijk: het woonprotest in oktober vorig jaar, en wat daarbij zo vreselijk misging. Ja. Ik zie het u denken: ‘Zit ik nou een brief van een vertaler over zijn WhatsApp-verslaving én de woningmarkt te lezen? Van diezelfde gast die me eerder de oren van mijn hoofd lulde over Henk Sneevliet en het sauzenhart van Nederland – en die maar steeds belooft dat hij ter zake gaat komen?’

Sorry mijnheer Aboutaleb, ik heb getwijfeld of ik erover moest beginnen. Of het wel aan mij is, zorgeloze koophuisbewoner die ik ben. Of ik er genoeg van weet, vertalertje dat ik ben. Of ik dan niet te veel op een hoop gooi, dromertje dat ik ben.

Ja, kijk daar heb je het al. Ik kreeg dus net de ontwijkende neiging mijn telefoon uit mijn tas te halen en een rondje langs mijn apps te maken. Wat veel makkelijker zou zijn dan de hete brei aanroeren. Gewoon even swipen, even lachen bij een kattenfilmpje of een rare meme, me even opwinden over iets in het nieuws. Maar nee, dat ging ik niet meer doen, toch? En ik wilde u er toch al zo lang over schrijven? Schreef ik u niet omdat u een sociaaldemocraat was?

Ja toch. Dus. Voor de draad ermee. Er moet me iets van het hart. Ik ben ontgoocheld. Het aantal daklozen is de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld. De wachttijd voor een sociale huurwoning is in Rotterdam gemiddeld vijf jaar – voor wie überhaupt nog mag “meedingen” naar een enigszins voordelige woning. Te grote gezinnen wonen in te kleine huizen. Mensen met bescheiden inkomens zijn een onverantwoord groot deel van hun budget kwijt aan hun “middenhuur”. Jongeren blijven tot hun dertigste bij hun ouders wonen omdat ze nergens zelfstandige woonruimte vinden. Stellen schuiven het krijgen van kinderen op de lange baan, omdat ze niet weten waar ze een babybedje of een box kwijt zouden moeten. Statushouders kwijnen eindeloos in noodonderkomens weg. En ondertussen worden de woningbouwcorporaties uitgeknepen, worden de inkomenseisen voor sociale woningbouw aangescherpt, worden de vrije sectorhuren jaar na jaar maximaal verhoogd – en worden corporatiewoningen gesloopt. In Rotterdam nam het aantal sociale huurwoningen de afgelopen twintig jaar met 25.000 af, terwijl de bevolking alleen maar groeide. De droefenis. Het cynisme.

Mijn ouders hebben schattige foto’s van me, hoe ik in 1981 als dreumes met een ‘Ban de bom’-button op mijn jas op mijn vaders schouders zat. Mijn moeder met haar tot op haar billen, mijn vader met een baard als een Viking en ik met een snottebel tot aan mijn kin. Het was mijn eerste demonstratie – en mijn laatste, tot oktober vorig jaar, toen mijn vrouw en ik meeliepen met het Woonprotest door Rotterdam. De kinderen hadden we bij mijn ouders gestald, we hebben geen schattige foto’s van ze met een ‘Beleggen doe je met pindakaas’- of ‘Hoe laat is het? Solidariteit!’-spandoeken. Gelukkig maar. Het was een stralende dag en de sfeer was best positief – tot we aan de voet van de Erasmusbrug stonden en er paarden en honden en ME’ers met wapenstok op het toneel verschenen.

Noem me verwend. Noem me naïef. Daar stond ik op de kruising Vasteland/Schiedamsedijk, enigszins opgelaten, onwennig roepend dat het tijd was voor solidariteit, en dat Rutte moest “oprutten”. Tweeënveertig jaar oud was ik en nog nooit eerder had ik de aanvechting gevoeld om ergens voor of tegen te protesteren. Lang heb ik gedacht dat Nederland wel min of meer af was. Dat er nog wat kleine knoppen waren om aan te draaien, maar dat het in grote lijnen…

En toen klonk er geblaf en gehinnik en rukte de ME op. Niet recht op ons af, maar op een groepje dat vlak achter ons liep. Schreeuwden zij net wat grimmiger teksten dan wij? Goed mogelijk. Liepen ze er net wat duisterder gekleed bij? Kan zijn. Maar verder? Liepen ze met stenen te gooien? Werden er poppen van Rutte verbrand? Werd er vuurwerk afgestoken? Werd er geduwd of getrokken? Zelfs dat niet. Er werd gedemonstreerd tegen de schending van grondrechten. Nog eens: er werd geprotesteerd tegen de schending van grondrechten. Tegen het feit dat er tienduizenden mensen in Nederland op straat wonen en nog vele tienduizenden meer diep in de penarie zitten – terwijl de CEO’s en de CFO’s van internationale vastgoedinvesteerders hun bankbiljetten staan te strijken. Er werd geroepen dat dat scheef is. Eerst had ik alleen een heel indrukwekkende haag van agenten gezien – en opeens waren daar de honden en de paarden.

Noem me onnozel. Noem me naïef. Noem me een geprivilegieerde kaasstengel. Over het racisme bij de politie had ik hoofdschuddend in de krant gelezen. Over het toeslagenschandaal en bij het zogenaamde ‘Kamerdebat’ met Rutte had ik me bij de televisie zitten verbijten. Nu zag ik met eigen ogen wat het betekende als een overheid zich tegen haar eigen burgers keerde en op ze inmepte. En inmepte en inmepte. Daar stonden we, onwennige demonstranten die we waren. Aanvankelijk hadden we nog lacherig meegeschreeuwd met de simplistische spreekkoren die bij demonstraties hoorden. Haha, moest je ons kijken. Ja, moest je ons kijken. Nu was het lachen ons wel vergaan. Moest je kijken. Hoe kon dit? Was de politie er niet om ons tegen geweld te beschermen?

*

Ik wil u het Nederlandse woonbeleid niet in de schoenen schuiven, mijnheer Aboutaleb. De uitkleding van woningbouwcorporaties, de rode loper die werd uitgerold voor het grootkapitaal. We zijn met zijn allen, in meerderheid tenminste, naïef en opportunistisch geweest. We dachten dat we er allemaal beter van zouden worden als we onze corporatiewoningen zouden overdoen aan de LaSalle’s en de Round Hill Capitals van deze wereld. Wij, de zorgeloze koophuisbewoners voorop, want wij beslisten erover, het waren onze huizen niet, maar wij stemden op de partijen die het voor het zeggen hadden, wij waren die partijen, wij vonden het goed. Met vraag en aanbod kregen we allemaal de beste deal, dachten we. Nou, verkeerd gedacht dus. Of: te weinig gedacht. Onze schouders opgehaald.

Daar spreek ik u dus níet op aan, niet heel veel meer dan mezelf tenminste. Ik had ook eerder kunnen gaan protesteren, of brieven kunnen schrijven, of flyeren voor een politieke partij die er wat aan wilde doen. Ik haalde mijn schouders ook op.

Maar die immense hoeveelheden politie en dat gemep, die honden en die paarden, die zijn u aan te rekenen, mijnheer Aboutaleb. Bij hooligans die rellen om te rellen: laat het waterkanon maar komen, laat de straten maar schoonspuiten – en dan achteraf niet vergeten een blik sociologen open te trekken om de oorsprong van die relzucht te onderzoeken. Maar bij een vooraf aangekondigde demonstratie tegen de schending van grondrechten – hoe haalde u het in uw hoofd daar zo’n politiemacht tegenover te stellen en honden en paarden op de demonstranten af te sturen nog voordat er één verkeersbord scheef was geduwd? Mensen die in de rats zitten, nota bene. Mensen die niet weten waar ze naartoe moeten, waar ze het geld voor hun huur vandaan moeten halen, of voor het schoolreisje van hun kinderen. Mensen die door u gehoord willen worden – want als niet door u, door wie dan wel? Door een VVD-burgemeester soms? Waar zat u met uw sociaaldemocratische gedachten? Klopte uw sociaaldemocratische hart nog?

*

Ik ben ontgoocheld en dat wilde ik u laten weten. Meer dan een half jaar geleden was die wanvertoning op de Erasmusbrug. Er is halfslachtig onderzoek gedaan naar de politie-inzet, er zijn debatten geweest in de gemeenteraad, maar het vertrouwensbreuk met de demonstranten is nog niet hersteld. Maak daar werk van, zou ik zeggen. Trek lessen en trek het boetekleed aan, volgens mij is daar alle reden toe. Niet alleen over deze demonstratie, maar ook over de aanleiding daartoe. Schud uw vrienden en uw vijanden bij de PvdA wakker alstublieft.

‘Kameraden! We hebben ons in het pak laten naaien door de VVD. We hebben de mensen die op ons stemden én degenen die dat hadden moeten doen in de steek gelaten. We hebben de volkshuisvesting verkwanseld, belust op centen als we waren. Ik heb een belangrijk protest op laten rollen, gebrand op orde en netheid als ik was. Ik heb een VN-rapporteur die het Rotterdamse woonbeleid bekritiseerde de mantel uitgeveegd. Schaamrood op mijn kaken! We moeten aan de bak, kameraden! Ja! We moeten laten zien waar de sociaaldemocratie voor staat!’

Ja toch? Of woorden van die strekking – en desnoods van wat minder uitroeptekens voorzien. Ik heb gelezen dat u uw speeches bij voorkeur zelf schrijft, maar mocht u nog eens om input verlegen zitten, dan mag u me altijd bellen. Of nodig Kevin Kühnert eens uit, de Barack Obama van onze oosterburen. Als je die hoort praten, ga je ondanks alles weer in de sociaaldemocratie geloven. Maar laat ik na bijna acht kantjes tikken  geen nieuwe onderwerpen meer aansnijden.

*

Tien voor vijf is het inmiddels, ik moet als de wiedeweerga een eind aan deze brief breien. De uitbaatster van de zaak hier begint al onrustig rond te drentelen. Ze heeft de koffiemachine, de toog en de tafeltjes gepoetst, ze wil naar huis straks, naar haar bloedjes van kinderen en haar lieve vriendin of haar hunk van een man, met wie ze als het even kan ook nog van de avond wil genieten. Wat het centrale punt van deze brief meteen mooi illustreert, zit ik te denken: dat het leven om meer draait dan geld verdienen alleen.

We hebben ons uitgeleverd aan het grootkapitaal. Aan de Googles en de Facebooks en de LaSalle’s en de Round Hill Capitals van deze wereld. Van onze mooiste vakantiemomenten tot het dak boven ons hoofd – het grootkapitaal verdient eraan. En we zijn het nog vanzelfsprekend gaan vinden ook. Al swipend en scrollend, al optimaliserend en rendementsverhogend hebben we het grotere plaatje uit het oog verloren, onze voorstelling van de wereld waarin we willen wonen. We zitten vast in de opwinding, de ophef en het schandaal waartoe onze telefoontjes ons veroordelen en kunnen amper meer verder kijken.

Des te gelukkiger, des te trotser ben ik dat het me nu, deze uurtjes, gelukt is mijn telefoon in mijn tas te laten zitten en tussen het tikken door zo nu en dan over de Rotte en Noordplein uit te kijken. Als u ook nog eens een rustig plekje zoekt om over de stad uit te kijken, om het leven voorbij te zien trekken en te bedenken waar u het allemaal voor doet: ik kan u Digters van harte aanbevelen.

En nu ga ik naar huis. Laten we het de volgende keer over boeken hebben. Over Mariken Heitman en Lisa Weeda – en ik heb nog wel paar belangwekkende boeken meer gelezen de laatste tijd. En daar gaat het uiteindelijk allemaal om immers. Leve de verbeelding!

Met vriendelijke groet,

Ralph Aarnout