Mijn goede voornemen: onderhandelen

Op een woensdagmiddag dat ik het goed met mezelf voorhad, deed ik het gewoon. In een impuls. Ik had er eigenlijk het geld niet voor, maar de zon scheen, het belletje van de winkel tingelde vrolijk en ik zag meteen bij binnenkomst al allemaal belangrijke en begerenswaardige boeken staan.

Uit concurrentieoverwegingen ga ik niet zeggen hoeveel ik heb uitgegeven. Gewoon: het complete bedrag aan thuiskopiegelden, reprorechtvergoedingen en leenrechtgelden dat de Stiching Lira mij eerder die week had overgemaakt. Of nou ja, een of twee tientjes meer misschien.

Een ander krijgt rond deze tijd een kerstpakket van zijn baas, dacht ik toen ik met mijn stapeltje boeken naar buiten stapte. Ik had het afgelopen jaar minder verdiend dan het minimumloon, maar als zzp’er moest je jezelf af en toe verwennen. Toch? En was een investering in de boekhandel niet ook een soort pensioenpremie als je in het boekenvak werkte?

Ik probeer mezelf hier geen schouderklopjes te geven hoor, ik ken genoeg collega’s die veel verder gaan in hun toewijding aan de goede zaak dan ik. Die veel meer van hun tijd, hun gezondheid en hun geld in hun werk steken. Ik bewonder hun inzet en ben er op een rare manier zelfs jaloers op. Maar ik zie het ook hoofdschuddend aan.

De onbaatzuchtigheid van veel vertalers is mooi en nobel. Maar hoe houdbaar is een systeem dat zichzelf met broekzak-vestzakfinanciering en zelfopoffering in de lucht houdt? Een kerstgratificatie uit eigen zak is tot daar aan toe. Maar nooit vakantie? Structureel overwerken achter een bureau dat een arboarts direct zou afkeuren? Jaar in jaar uit werken tegen hetzelfde tarief? Zonder meerprijs een vertaling omgooien, als je uitgever ontdekt dat hij je de verkeerde versie van een manuscript heeft toegestuurd?

Niet lang nadat ik was thuisgekomen met mijn zelfgekochte kerstpakket, bereikte mij het bericht dat de Auteursbond en de verzamelde literaire uitgevers een nieuw minimumtarief voor vertalingen waren overeengekomen. Per 1 januari 2022 krijg ik, uitgaande van een modelcontract, niet langer 6,8 maar 7,0 cent per woord. Bij een kloeke roman, zeg: drie à vier maanden fulltime werk, levert me dat zomaar honderdvijftig euro extra op. Hatsiekiedee!

Nee, laat ik niet cynisch doen. Ik was blij met het nieuws en ik ben de onderhandelaars van de Auteursbond dankbaar voor hun werk. Die opslag van 0,2 cent is ook niet de enige verbetering in het modelcontract. En toch zonk de moed me in de schoenen. Dat was dus het wenkend perspectief voor het komende jaar, bij oplopende inflatie en alle verhalen over overwerkte collega’s: er niet al te veel op achteruit gaan.

Vertalen is het heerlijkste beroep dat er is en ik wil niet te vaak piepen over de ondermaatse betaling, want daar word ik maar chagrijnig van. Ik red me wel. Mijn vrouw heeft een vaste baan en we wonen toevallig voordelig. Maar voor de vertaalbranche en de rest van het boekenvak is die zelfopoffering op den duur niet houdbaar.

Mijn goede voornemen voor 2022 is daarom: onderhandelen. Niet meer zomaar tevreden zijn als me een modelcontract wordt aangeboden, maar bij elke gelegenheid duidelijk maken dat de schoorsteen óók van het modelcontract niet kan roken. Ik hoop dat mijn collega-vertalers dat ook (blijven) doen en dat de uitgevers zullen inzien dat we niet alleen voor onszelf meer vragen, altijd weer meer, maar ook voor elkaar en voor de toekomst van het boekenvak. Want daar doen we het immers allemaal voor.


Foto afkomstig van pxfuel.com. Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief, of volg me op Twitter of LinkedIn.

Puh. Bezoekersstatistieken.

Er ligt een rode ordner op mijn bureau. Een dikke rode ordner. Een vreselijke, angstaanjagende ordner. Ik moet iets met die ordner. Ik moet bonnetjes sorteren en invoeren. Ik moet mijn urenregistratie bijwerken, met terugwerkende kracht sinds april. Ik moet facturen op volgorde zetten en btw-totalen berekenen.

Mijn bloeddruk stijgt en ik krijg het zweet in mijn handen als ik aan die ordner denk, en aan de papieren die erin zitten. Een brief van de belastingdienst uit augustus die ik niet snap. Een “schikkingsvoorstel” van het Legal Department van het ANP. Niks schikking en niks voorstel natuurlijk, het is een boete van vierhonderdvijftig euro voor het ongeautoriseerd gebruik van een auteursrechtelijk beschermde foto. Een lullig voetbalplaatje dat ik van de site van het AD had gehaald om een blogpost mee op te leuken. Vierhonderdvijftig euro. Meer dan 6.500 woorden vertalen tegen modelcontract-tarief.

Mag je een boete opvoeren als bedrijfskosten? Is deze blog een bedrijfsactiviteit, dit “dagboek” over dat werk van mij, dat eigenlijk gewoon een hobby moet heten, als je ziet hoeveel geld het me oplevert? En als dit blog geen bedrijfsactiviteit is, waarom zit ik dan zo vaak naar de bezoekersstatistieken te kijken? Waarom “jatte” ik dan een foto, om mijn berichtje mee op te leuken? Om bezoekers te trekken, toch zeker? En waarom zit ik dan steeds zo te dubben over sexy koppen, sappige tweets en posts, en likes, shares en retweets?

Het is weer december, het is tijd voor mijn administratie en het is tijd voor goede voornemens en nieuwe plannen. Ik heb besloten dat ik vaak genoeg heb geschreven dat je van vertalen niet kunt leven, maar dat het wel het heerlijkste werk is dat er bestaat. En ik heb besloten dat ik me minder druk ga maken over likes, shares en bezoekersstatistieken. Puh, cijfers en tabellen. Alsof die ook maar iets van waarde uitdrukken.

Van de Auteursbond heb ik een beurs gekregen om een jaar lang brieven te schrijven aan Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam. Omdat die in zijn vrije tijd poëzie vertaalt en omdat hij een sociaaldemocraat is en alles wat ik over grotestadsromans, de gemengde school van mijn kinderen en het belang van grensoverschrijdende literatuur vast razend interessant vindt. Haha. Ik heb hem nog niet gewaarschuwd, maar ik ga hem komende jaar – als dat coronatechnisch allemaal kan – vanuit Rotterdamse cafés en koffiehuizen brieven zitten schrijven. Heel misschien publiceer ik hier af en toe een fragmentje uit zo’n brief, maar misschien doe ik het ook lekker niet. Puh. Bezoekersstatistieken.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

De rede is geduldig

Vertalen is het heerlijkste wat er is, maar het is jammer dat je er zoveel leeswerk aan hebt. Ja, serieus! Na amper een dag werken dansen de letters en de ideeën me vaak voor ogen en gaat het besturingssysteem in mijn bovenkamer in de sluimerstand. Van lezen komt in de avonduren bar weinig meer terecht.

Ondanks mijn chronische leestijdgebrek blijf ik wel boeken kopen. Omdat boeken uiteindelijk… Omdat je zonder boeken… Ik bedoel: de boekhandels en de uitgeverijen…  Ik bedoel: wat kan een mens beter doen dan lezen? En we moeten toch optimistisch blijven?

Mijn laatste aankoop is de nieuwe vertaling van Stefan Zweigs Erasmus-biografie. Een van Zweigs mooiste boeken is na zestig jaar eindelijk weer in het Nederlands beschikbaar, in wat mij een mooie, toegankelijke vertaling lijkt. De maker, Bart van Kreel, publiceerde zijn werk eerder in eigen beheer, maar vond medestanders bij de Zweig-fans van uitgeverij IJzer.

Triomf en tragiek van Erasmus van Rotterdam heet het boek. Ik noemde het zonet een biografie, maar eigenlijk mag het niet zo heten. Zweig laat weliswaar Erasmus’ hele leven de revue passeren, maar stiekem grijpt hij diens levensverhaal vooral aan om een pleidooi te houden voor het humanisme en voor een supranationaal Europees cultuurbegrip. Wat de goede verstaander begreep als een pleidooi tegen onverdraagzaamheid, tegen het nationaalsocialisme.

Hitler was nog niet eens aan de macht toen Zweig aan zijn Erasmus-boek begon. Voor wie niet wegkeek, tekende zich toen, begin jaren dertig, de grote Europese catastrofe al af. Zweig voelde het haarscherp aan: zoals Erasmus’ redelijkheid het had afgelegd tegen het orthodoxe geloof, zou zijn eigen redelijkheid het afleggen tegen de blinde haat van het nationaalsocialisme.

En toch is zijn Erasmus-‘biografie’ een optimistisch boek. Dat vind ik steeds weer het fascinerende bij Zweig: hij doorziet de ellende en de verdorvenheid, hij sluit zijn ogen nergens voor, maar hij blijft kalm en optimistisch. Hij blijft geloven in het geschreven woord.

Soms stemt het mij droevig dat ik zo weinig aan lezen toekom. Vaak lopen de rillingen over mijn rug als ik de krant lees. Om over de rellende meutes op de Coolsingel  – voor de deur van een van de mooiste boekwinkels van het land  nota bene – nog maar te zwijgen.

Het leven is een tranendal en de wereld een troosteloos oord. Maar zolang Zweig in vertaling blijft verschijnen, is er hoop, denk ik. Met dank aan Bart van Kreel en uitgeverij IJzer dus. Uit Triomf en tragiek van Erasmus van Rotterdam: ‘De rede, altijd stil en geduldig, kan wachten en volharden. Soms, als anderen dronken razen en tieren, moet zij er stom het zwijgen toe doen. Maar haar tijd komt, haar tijd komt altijd weer.’


Met je gender in een hokje

Vult u online enquêtes in? Of uw nieuwe koelkast netjes is afgeleverd? Of uw pizza  lekker was? Hoe uw vakantie u beviel, op een schaal van één tot zeven?

“Invullen duurt hooguit vijf minuten,” lees je vaak in de hengelmails van enquêteurs. Ik heb het een tijdje als een sport gezien om ze dan in tweeënhalve minuut in te vullen. Maar omdat alle minuten tellen als je met je telefoon dreigt te vergroeien, heb ik besloten ze allemaal weg te swipen – tenzij ze het algemeen belang dienen.

Sinds Gormangate krabben het boekenvak en de vertalerij zich op het achterhoofd. Ja, verdraaid, inclusie en diversiteit, daar moeten we wat mee. Maar wat? En hoe?

Die vragen stelt men zich ook bij KVB Boekwerk, het kenniscentrum voor de boekenbranche. Via de Auteursbond ging er een mail rond. Was ik als vertaler genegen mijn ideeën te geven over diversiteit en inclusie in de Nederlandse boekenmarkt? Invullen duurde “ongeveer tien minuten”.

Al zou het een half uur duren, dacht ik, dit was interessante materie. Ik schoof mijn werk aan de kant en opende de vragenlijst. Ik had alle debatten dan wel gevolgd, maar wat vond ik zélf eigenlijk?

Met welk gender identificeerde ik me het meest? Waar waren mijn ouders en mijn grootouders geboren? Met de openingsvragen wist ik wel raad; ik pas probleemloos in een heleboel hokjes. Maar algauw werden de vragen moeilijker. Vond ik het belangrijk dat het werk dat ik vertaalde ging over achtergronden en identiteiten die anders waren dan de mijne? En hoe belangrijk waren de achtergrond en identiteit van de auteur die ik vertaalde?

Steeds weer had ik de neiging “onbelangrijk” in te vullen. Er moesten toch gewoon goeie, urgente en maatschappelijk relevante boeken verschijnen? Identiteiten en achtergronden van auteurs en vertalers deden er toch niet toe? Of was dat te gemakkelijk om te zeggen voor een cisgender, heteroseksuele, witte man van begin veertig? Waar hield ruimdenkendheid op en waar begon desinteresse?

Hoe meer bolletjes ik aanvinkte en rapportcijfers ik uitdeelde, hoe duizeliger en hoe wanhopiger ik werd. Wilde ik lezers met andere identiteiten “bereiken”? Was het boekenaanbod divers genoeg? Mijn antwoorden pasten niet in de vakjes, ik snapte de vragen niet, of vond – en dat nog wel het vaakst – dat ik er gewoon geen mening over kón hebben.

Er verstreken tien minuten, er verstreken twintig minuten en een half uur, en op een gegeven moment stond er ‘Bedankt voor uw deelname’ op mijn scherm, terwijl ik van plan was geweest terug te klikken om mijn antwoorden nog eens rustig door te kijken. Help! Had ik nu heel erg foute dingen gezegd?

Ach, als ik een pizza in een enquête een zes gaf, al of niet doordacht, wist de pizzabakker ook niet wat er mis was met zijn baksels, hield ik mezelf voor. Maar als honderd mensen een zes gaven, wist hij in ieder geval dat hij aan de slag moest met zijn recept. Of met zijn ingrediënten. Of met zijn oven. Of zijn pizza’s sneller moest laten bezorgen. Hoe dan ook: dat het tijd was voor actie.

Wat ik allemaal heb ingevuld? Ik weet het niet meer. Ik weet alleen dat ik mijn best heb gedaan, en dat ik blij ben dat ik de uitkomsten van de enquête niet hoef te analyseren. Laat mij maar lekker vertalen.

Zouden mijn collega’s ook zo hebben zitten worstelen? Ik ben  benieuwd, en kijk uit naar de conclusies. Ik kan me zomaar voorstellen: dat de boekenbranche een ongelofelijk witte en hoogopgeleide bubbel is en dat het hoog tijd is dat daar iets aan verandert.


Foto afkomstig van pxfuel.com. Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Straatborrel met bestsellerauteur

Wij vertalers leiden teruggetrokken levens. We lezen en we schrijven – en doen verder zo weinig mogelijk. Onze afwijzing van wat anderen ‘leven’ noemen is een eindeloze variatie op het thema ‘Nee, ik heb een mooi boek’ uit de tijd dat andere kinderen kwamen vragen of we zin hadden om buiten te spelen.

En toch loop ik in Frankfurt rond dezer dagen. Ik speel buiten. Eigenlijk had ik er helemaal geen tijd voor en zag ik er als een berg tegenop, maar ik kon een beurs krijgen voor het Frankfurt International Translators Program en mij werd van alle kanten aangeraden die kans vooral te grijpen – hoe mooi mijn boek ook was.

Dat bleek een uitstekend advies. Nog geen twee weken geleden leverde ik mijn vertaling van de nieuwe roman van Monika Helfer in bij uitgeverij Nieuw Amsterdam – en gisteren zat ik bij een lezing van Jo Lendle van Hanser, de man die Helfers kwaliteiten had gezien en haar groot had gemaakt. De “Hanser Magic” noemde hij het. Helfer was opgelucht geweest dat ze begin deze week net naast de Buchpreis had gegrepen, vertrouwde Lendle zijn publiek toe. Zelf had hij een borreltje extra moeten drinken om de teleurstelling te verwerken.

Vanaf volgende week ga ik voor uitgeverij Volt een krimi co-vertalen van Nele Neuhaus. En wie liep ik eergisteren tegen het lijf bij de stand van Ullstein, waar ik alleen maar even was langsgelopen om een leesexemplaar van het boek te bietsen? Nele Neuhaus zelf, nota bene. Oh? Werd Strasse nach nirgendwo nu ook in het Nederlands vertaald? Geweldig! Neuhaus verontschuldigde zich dat ze het niet wist. En nog voor ik háár kon vragen om een selfie, duwde ze haar man haar telefoon in handen om een foto van ons te maken. Even later stonden we bij een statafel te keuvelen als buren bij een straatborrel.

Zo rolde ik in Frankfurt van de ene verbazing in de andere. Bij de opening van de Messe bedankte de Duitse minister voor cultuur en media ‘ons’ vertalers er nadrukkelijk voor dat we tijdens de coronacrisis door waren blijven werken om de lezers een blik op de wereld buiten hun coronabubbel te blijven bieden. Wij vertalers stootten elkaar aan. Hoorden we dat goed? Zoveel eer? Ja, jeetje. Zo keken we er zelf niet altijd naar als we een deadline aan het halen waren.

Verder is mij deze week in gesprekken met collega’s uit onder meer Oezbekistan, Slovenië en Mexico duidelijk geworden hoe levendig de boekhandels- en vertaalcultuur in Nederland zijn. Zoveel boeken om uit te kiezen, in zoveel boekhandels en bibliotheken. Zoveel opdrachten voor vertalers, zulke geweldige stimuleringsprogramma’s. Lichtelijk onnozel dat ik er nooit eerder serieus bij had stilgestaan hoe bijzonder het allemaal is.

Ik heb het mooiste beroep van de wereld, dat is mij deze week eens te meer duidelijk geworden, en het is een voorrecht het in Nederland te kunnen uitoefenen. Maar ik heb ook geleerd dat ik me zo nu en dan toch even van mijn boeken moet losrukken. De beurs van Leipzig is eind maart, heb ik me laten vertellen. Ik zal eens kijken of ze daar ook een vertalersprogramma hebben.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Worden wat je wil

Misschien kwam het door de tijd van het jaar, door de vallende blaadjes. Misschien kwam het door de ELV-lezing over vertaaltheorie die ik pas had bijgewoond, waarin nog weer eens was uitgelegd hoe onmogelijk vertalen eigenlijk is. Of misschien kwam het doordat ik net een vertaling had ingeleverd bij de uitgeverij en nog niet direct wist hoe en waarom ik aan mijn volgende klus zou beginnen.

Het was zo’n somberte die iedere werkende zo nu en dan overvalt, neem ik aan. De waar-doe-ik-het-allemaal-voor-somberte. Het maar-eigenlijk-kan-ik-dit-helemaal-niet-verdriet. Ja toch? Herkenbaar toch?

En toen was het Kinderboekenweek, thema ‘Worden wat je wil’, en bereikte mij van de school van mijn dochters het verzoek iets over mijn beroep te vertellen. Deed ik niet iets in de bouw? Oh, boekvertaler, ook leuk. Woensdagochtend, zou dat schikken?

Zo kwam het dat ik gisterochtend in groep 5b van “onze” school een spreekbeurt-met-powerpoint stond te houden over hoe dat nou kan, dat Pluk van de Petteflet er óók in het Engels is, dat Pippi Langkous helemaal geen Nederlands boek is, dat de Sjakie van de Chocoladefabriek eigenlijk Charlie heet – en dat die boeken gewoon opnieuw geschreven zijn. Door een vertaler.

Ik vertelde dat het een heel gepuzzel is, een boek vertalen, maar dat als je van puzzelen hield, en van lezen, en als je nieuwsgierig was en van speuren hield, dat er dan geen mooier werk te bedenken was – en dat alle kinderen vooral vertaler moesten worden. Omdat vertalen het allerheerlijkste lezen was dat er bestond.

Of ik de kinderen van groep 5b heb overtuigd, weet ik niet, maar hun vragen waren verdraaide slim (‘Waarom is Nederlands anders dan Duits, als het in het Engels Dutch heet?’) en hun enthousiasme was aanstekelijk (‘Ik ben ook vertaler, want ik praat thuis Somali!’). Onderweg naar huis betrapte ik mezelf op een verende tred, een zonnige blik en frisse moed om met nieuwe klussen aan de slag te gaan.

Als ik het vertalen nog eens zat werd, bedacht ik, kon ik best in het onderwijs gaan werken. Maar voorlopig was daarvan geen sprake. Voorlopig was ik precies ‘wat ik worden wil’.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Welke muggenzifter had het lef?

Tijdens een saai telefoongesprek viel mijn oog op een knop op mijn telefoon die me nooit eerder was opgevallen. “Opnemen” stond eronder. Huh, wat? Ging dat zo gemakkelijk tegenwoordig?

Ik herinnerde me hoe ik vroeger had zitten klungelen met telefonische interviews, in verbeten pogingen journalist te worden. Met een postelastiek om mijn hoofd en een microfoon eronder geklemd had ik gespreksgenoten het vuur na aan de schenen proberen te leggen. Maar natuurlijk schoot de microfoon altijd los zodra een gesprek ook maar een beetje interessant werd.

Voor de gein drukte ik op de opneemknop en zo zat ik dat saaie gesprek direct na afloop alweer terug te luisteren. Daarbij vloog het schaamrood me naar de kaken, want ik merkte dat allerlei dingen die mijn zus me had verteld gewoon niet tot me waren doorgedrongen (sorry Marleen, als je dit leest), en dat er iemand aan het gesprek had deelgenomen wiens stemgeluid me onbekend voorkwam. Maar dat was ik natuurlijk zelf.

Iets dergelijks is me overkomen met een vertaling die ik anderhalf jaar geleden maakte en waarvoor ik een vertaalbeurs kreeg van het Letterenfonds. Bij de toekenning van zo’n beurs hoort dat een commissie van deskundigen de kwaliteit van je vertaling tegen het licht houdt wanneer je een nieuwe beursaanvraag indient. Is je werk een beetje beurswaardig?

‘Nee, helaas,’ luidde het oordeel van de commissie deze zomer. Ik ontplofte toen ik de brief kreeg. Wel god nog aan toe, welke muggenzifter had het lef? Wat voor kommaneuker… Welke, welke… Enzovoort. Hoe zit dat ook alweer met de fases van rouw? Eerst protest, dan ontkenning, dan verdriet en tot slot acceptatie? Zo werkte het bij mij zo’n beetje.

De afgelopen tijd heb ik de gewraakte vertaling zitten bestuderen. Aanvankelijk vol bewondering voor mijn eigen onvoorstelbare vertaalvaardigheid, maar na verloop van tijd met hetzelfde ongeloof dat me besloop bij het beluisteren van die telefoonopname. Waarom had ik niet opgemerkt wat mijn “gesprekspartner” éigenlijk had willen zeggen, en vooral hóe die dat had willen zeggen? Waar had ik gezeten met mijn gedachten?  Waar had ik nou zo ontzettend mijn best op zitten doen?

Na mijn afstuderen heb ik een tijd geprobeerd om journalist te worden. Met een dictafoon en een notitieblok in de aanslag rende ik rond om sappige quotes te verzamelen, tot ik doorkreeg dat al die zogenaamde feiten me niet gingen brengen waar ik wilde komen. Ik gaf de journalistiek eraan en besloot vertaler te worden.

Ik heb nu een stuk of tien boeken vertaald en kom tot de ontdekking dat die jaren met dat elastiek om mijn hoofd me meer hebben gevormd dan ik zelf in de gaten heb gehad. De striem van dat postelastiek is verdwenen, maar de neiging om zoveel mogelijk informatie zo efficiënt mogelijk bij de lezer naar binnen te trechteren zit er nog steeds in. Die heeft me in de weg gezeten bij die vertaling waar de commissie – terecht dus – zo streng over oordeelde.

Dat ik na jarenlang hardnekkig proberen geen journalist ben geworden, was omdat er geen journalist in me zat. Stiekem wist ik dat ook wel. Dat ik bij het vertalen nog steken laat vallen, vind ik alleen maar interessant en leerzaam, omdat ik weet dat er wél een vertaler in me zit. Mede dankzij de beoordelaars van het Letterenfonds krijg ik steeds beter in de gaten hoe mijn eigen stem klinkt. En hoe nauwkeurig je moet luisteren om te horen wat er éigenlijk gezegd wordt.


Foto afkomstig van pxfuel.com. | Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Hoge bloeddruk, snot voor ogen

Sorry mensen, het is hier veel te lang stil geweest. Mijn laatste update was van eind juni, zie ik. Twee maanden geleden nota bene.

Ja, natuurlijk heb ik ook vakantie gevierd. Twee weken maar liefst, op Terschelling, tussen een stapel boeken en het strand, het was heerlijk. Verder heb ik de halve zomer naar een deadline toe gepeesd. Nu die gehaald is, kan ik me weer om dit dagboek bekommeren.

Wat voor deadline ik precies gehaald heb, kan ik u helaas niet vertellen. Collega-vertalers die een idioot grote klus hadden aangenomen en daar onder dreigden te bezwijken, schakelden mij in als spookredacteur.

Mijn eigen klus had een ruime deadline. Dus terwijl mijn collega’s en ik ons het snot voor ogen tikten, kon het vertaalbeest dat ik eerder zelf geschoten had rustig besterven.

Het was wel even slikken, toen ik twee weken geleden het bestand opende dat ik eerder had opgeslagen in de veronderstelling dat ik er alleen nog wat tikfoutjes uit hoefde te halen.

Ik bleek zinnen aan elkaar geplakt te hebben waar een punt tussen hoorde, ik had punten gezet waar komma’s hoorden en nog veel meer gekkigheid uitgehaald. Alle zinnen die er in het origineel hortend en stotend uit kwamen, vloeiden in mijn versie zonder enige weerstand over de pagina’s. Waarom in godsnaam?

Soms is het goed als een vertaling een tijdje kan liggen voordat je hem inlevert, dat heb ik ervan geleerd. En het kan ook geen kwaad zo nu en dan op je vingers te worden getikt door een strenge beoordelingscommissie van het Letterenfonds. Daarover een volgende keer meer.

Ik weet niet hoe druk het is in uw sector, maar sinds ik terug ben van vakantie, heb ik al drie boeken aangeboden gekregen. Een klein jaar werk in totaal. Ook de uitgevers zijn weer terug van vakantie, zoveel is mij duidelijk. En zou de coronacrisis soms voorbij zijn?

Voor twee van de aangeboden titels waren de deadlines idioot strak, daar heb ik vriendelijk maar beslist voor bedankt. Voor het derde boek was de planning prettig realistisch, die heb ik aangenomen.

De vakantie is voorbij, ik ben uitgerust en zit vol goede voornemens. De belangrijkste twee: me nooit, nooit, nooit laten opjagen door uitgevers met deadlines waar mijn bloeddruk van stijgt en de kwaliteit van mijn werk van daalt. En, natuurlijk, weer regelmatig dagboekstukjes tikken.


Foto afkomstig van pxfuel.com. | Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Het gaat om de doelpunten

Voordat we de achtste finales ingaan, moeten we even de verdere strategie bespreken. U en ik, als schaduwcoaches van het Nederlands elftal. Zeker, er is van alles om tevreden over te zijn. De flanken, de zonedekking, het omschakelen, uitstekend op orde allemaal. Maar je ziet aan ‘de koppies’ dat er op mentale vlak nog winst te halen is. Ik denk: zeker 15 procent.

Omdat ik naast mijn werk als bondscoach ook werkzaam ben als vertaler, weet ik hoe we tot de halve finales kunnen doordringen. En misschíen wel tot de finale, afhankelijk van de mentale groei die onze tegenstanders tot die tijd doormaken. Want laten we de tegenstanders niet vergeten. Klassieke fout!

In De Volkskrant las ik dat Stefan de Vrij de inspiratie voor zijn spel onder meer haalt uit het werk van Eckhart Tolle, Deepak Chopra en Bouke de Boer. Alle respect, belangrijke denkers. Maar als we echt naar het volgende level willen met ons loopwerk en ons kopwerk, dan denk ik dat we ook Sabine Wery von Limont in het spel moeten brengen.

Wat denkt u? Zouden onze jongens De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid nog voor zondagmiddag uit kunnen hebben? Wie stuurt de link naar het e-book even rond in de teamapp? Zet er maar bij dat downloaden in de online bibliotheek gratis is. Dat ík het vertaald hebt, doet er niet toe. Het gaat om de doelpunten.

Komische titel, De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid? Ach, wat zal ik zeggen. Misschien nog een beetje te Duitsig. Als een Duitser zich de benen uit zijn lijf loopt, rent hij zich ‘die Seele aus dem Leib’. Wil hij je iets op het hart drukken, dan wil hij je iets ‘auf die Seele binden’. En doet hij iets ter ontspanning, dan laat hij zijn ‘Seele baumeln’, zijn ziel bungelen. Hoe het met de ziel van een Duitser staat, is hoe een Nederlander in zijn vel zit.

Wat het voor boek is? Geen boek over de ziel, gek genoeg. Al in haar inleiding geeft Sabine Wery von Limont toe dat alles wat mensen zich bij de ziel voorstellen gewoon in hun hersenen zit. En dus heeft zij het over het limbisch systeem, de prefrontale cortex en over cortisol en adrenaline ter verklaring van gevoel en gedrag. Wat is dat, concentratie? Waar komt nervositeit vandaan? Hoe werken angst, afhankelijkheid en genot? Je kunt het allemaal afpellen en verklaren. En eraan werken. Ja, echt! Wetenschappelijk bewezen!

En dat is wat onze jongens moeten doen. Natuurlijk, die bal moet heen en weer over het veld en af en toe bij de tegenstander in de netten, maar uiteindelijk is voetbal toch een psychologisch spelletje. Heel logisch eigenlijk. Als je je angstgegner hebt uitgeschakeld, sta je altijd met 1-0 voor, zegt de bondscoach in mij.

Mooie schijnbeweging toch, een boek zweverig De ziel noemen en vervolgens alle ballen op de hersengebieden en de neurotransmitters spelen? Ja, dat vonden de boekhandelaren en de lezers ook toen het verscheen. Ze lieten zich en masse in de luren leggen en gingen kluitjesvoetbal spelen met Kieft, Basta, Frenkie en Derksen. Jongens jongens, wat een gogme!

Zo, hebben spelers en staf het boek inmiddels op hun e-reader staan? Of nog gauw de papieren editie besteld? En alle andere Nederlanders ook? Mooi, dan komt het alsnog goed met de verkoopcijfers van dit geweldige boek – en wordt dat EK óók een grande succes. Hup Oranje! Nog even wat zelfreflectie en dan knallen met die ballen!


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Behoorlijk rad

Als vertaler heb je nogal eens uit te leggen waarom je maar één kant op vertaalt. Dat er vast een paar genieën op de wereld rondlopen die zich moeiteloos in meerdere talen kunnen uitdrukken, maar dat er voor de meeste stervelingen toch een flinke kloof gaapt tussen je heel aardig kunnen redden in een vreemde taal en de taalbeheersing die nodig is om alles wat het raffinement van de handleiding van een broodrooster overstijgt met enige smaak te kunnen vertalen.

Wat natuurlijk ook een understatement is, want handleidingen vertalen is vast nog lastig genoeg.

Ik ben het Duits heel aardig machtig, al zeg ik het zelf. Ik ben geen germanist, maar heb redelijk wat tijd in Duitstalige landen doorgebracht en hou mijn Duits op peil met boeken, films, podcasts, sociale media en kranten. Maar toch. Als ik een mailtje aan een Duitse uitgever of auteur moet tikken, heb ik het zweet in mijn handen staan en google ik altijd een paar zinnen om te controleren of ze echt Duits zijn, of dat alleen maar lijken.

Tot mijn grote geruststelling las ik laatst dat mijn held Stefan Zweig, die aan het begin van zijn carrière o.m. Paul Verlaine en Emile Verhaeren in het Duits vertaalde, nogal wat taalfouten maakte in de brieven aan “zijn” Franstalige auteurs. De geniale polyglot Stefan Zweig nota bene!

Om toch wat ontspannener Duits te gaan praten en te schrijven, heb ik onlangs een tandempartner opgescharreld. Sinds een paar weken spreek ik zo nu en dan af met een Oostenrijker die al tien jaar hier in Rotterdam woont, maar in het dagelijks leven nauwelijks Nederlands praat, omdat de voertaal op zijn werk Engels is en hij in zijn vrije tijd het liefst boeken leest en films kijkt. We praten dan om de beurt Nederlands en Duits en verbeteren elkaars onhandigheden omzichtig. ‘Als ik wat minder binnen had gezeten, maar gewoon lid was geworden van een voetbalvereniging, had ik allang goed Nederlands gesproken,’ verzuchtte hij laatst in foutloos Nederlands.

Ik zei dat hij daar een punt had, maar dat zijn Nederlands al behoorlijk rad was. En in mijn beste Duits vertelde ik dat ik in de tijd dat ik in Wenen en Berlijn woonde óók vooral met mijn neus in de boeken had gezeten. En dat dat misschien wel het heerlijkste aan die tijd was geweest: dat ik me ongegeneerd had kunnen terugtrekken met mijn boeken en met niemand over koetjes en kalfjes had hoeven kletsen. En dat ik óók daarom vertaler was geworden: om maar niet bij koffieautomaten en in bedrijfskantines te hoeven staan.

Mijn beste Duits is heel aardig, maar het was natuurlijk toch even zoeken naar vlotte equivalenten van “daar heb je een punt”, “behoorlijk rad” en “koetjes en kalfjes”. Al hakkelend werd ik me bewust van de ironie van de situatie, maar er schoten me in de gauwigheid en in het Duits geen relativerende geintjes te binnen.


De illustratie bij deze post is van Peter van Dyck, gevonden op de schitterende blog Reading and art.

Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.