Mijn eerste grote liefde

Ik zal niet over madeleine-koekjes beginnen en ik zal proberen mijn zinnen overzichtelijk te houden. En ik ga de zaken niet ingewikkelder maken dan ze zijn, want ze zijn eigenlijk heel simpel.

Zo simpel als de openingsmaten van ‘Gimme Shelter’, voor wie daar ook mee is opgegroeid. Zo simpel als plotseling de geur van sigarettenrook in een Perzisch tafelkleed, voor wie bij die geur ook het gevoel heeft dat hij weer bij zijn grootmoeder op schoot zit en dat de wereld goed is. De instinctieve herkenning: ja, zo zit de wereld in elkaar.

Ik heb Thomas Bernhard zitten lezen de afgelopen dagen. Ik was somber geworden van de verkiezingsuitslag en had zin gekregen in een scheldkanonnade, een schotschrift van een nestbevuiler, een aanklachtboek, een zelfmoordboek, een inktzwart vernietigingsboek. En ik herinnerde me dat ik Houthakken ongelezen in de kast had staan. Ja verdorie, Thomas Bernhard, daar was het tijd voor.

In deze roman, recent vertaald door Chris Bakker en Pauline de Bok en verschenen bij Uitgeverij IJzer, observeert een naamloze ik-figuur van middelbare leeftijd, een schrijver, een avond lang zijn vriendengroep van

weleer. Hij is min of meer per ongeluk uitgenodigd voor een ‘kunstzinnig avondmaal’ en heeft die uitnodiging om ondoorgrondelijke redenen geaccepteerd. En daar zit hij, in een oorfauteuil te midden van de Weense intelligentsia, bedenkend wat voor vergissing het is dat hij is komen opdagen. Dat hij deze mensen niet voor niets decennia lang heeft ontlopen. Dat ze uit zijn op zijn vernietiging. Op elkaars vernietiging. Dat het stuk voor stuk mislukte kunstenaars en kansloze alcoholisten zijn. Dat ze de bekrompenheid, de achterlijkheid, de hypocrisie van Oostenrijk vertegenwoordigen. En dat hij ze haat, afgrondelijk haat.

Begin jaren negentig, toen Thomas Bernhard nog niet zo lang dood was en de verontwaardiging die steevast oplaaide bij de publicatie van zijn boeken en de premières van zijn toneelstukken nog vers in het geheugen lag, werden er een aantal van zijn boeken vertaald. En uitgegeven, dat ook nog wel. Grootse successen werden het niet, ik kocht ze bij De Slegte van mijn vakkenvullerssalaris. Ik was veertien, vijftien, zestien, ik haatte de wereld en ik las Thomas Bernhard. Voor een prikkie, dat dan weer wel.

Er verstreken vijfentwintig jaar en van een puistige, vakkenvullende puber veranderde ik in een verstandige huisvader, een echtgenoot met grijzende slapen, een vertaler, een Stefan Zweig-liefhebber, een gezonde wandelaar en een optimist. Omdat een mens maar beter een optimist kan zijn. Nietwaar?

En toen stond dat boek met dat inktzwarte omslag in mijn kast en was er die aanleiding om het te lezen – en was ik weer terug bij mijn eerste grote liefde. De bijtende, bezwerende taal van Thomas Bernhard. Zijn eindeloze herhalingen. Zijn scheldkanonnades. Zijn sarcasme. Zijn verwensingen. Zijn zelfhaat. Zijn verachting van het middelmatige.

Drie levensfases en twintig (of dertig, of veertig?) meter boekenplank leeservaring verder las ik zó verder waar ik als puber gebleven was. De herkenning was overweldigend. Ja, zo zat de wereld in elkaar. Zo was literatuur bedoeld. Zo smaakte een madeleine-koekje.

Driewerf hulde, dus, voor de uitgever en de vertalers van dit boek. En driewerf hulde, dus, voor het Nederlandse volk dat in zijn mateloze wijsheid de enig juiste verkiezingsuitslag bij elkaar heeft gestemd. Hoera voor ons, we gaan schitterende jaren tegemoet! Ik ga Thomas Bernhard lezen.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.