Dagboek van een vertaler

Het gaat om de doelpunten

Voordat we de achtste finales ingaan, moeten we even de verdere strategie bespreken. U en ik, als schaduwcoaches van het Nederlands elftal. Zeker, er is van alles om tevreden over te zijn. De flanken, de zonedekking, het omschakelen, uitstekend op orde allemaal. Maar je ziet aan ‘de koppies’ dat er op mentale vlak nog winst te halen is. Ik denk: zeker 15 procent.

Omdat ik naast mijn werk als bondscoach ook werkzaam ben als vertaler, weet ik hoe we tot de halve finales kunnen doordringen. En misschíen wel tot de finale, afhankelijk van de mentale groei die onze tegenstanders tot die tijd doormaken. Want laten we de tegenstanders niet vergeten. Klassieke fout!

In De Volkskrant las ik dat Stefan de Vrij de inspiratie voor zijn spel onder meer haalt uit het werk van Eckhart Tolle, Deepak Chopra en Bouke de Boer. Alle respect, belangrijke denkers. Maar als we echt naar het volgende level willen met ons loopwerk en ons kopwerk, dan denk ik dat we ook Sabine Wery von Limont in het spel moeten brengen.

Wat denkt u? Zouden onze jongens De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid nog voor zondagmiddag uit kunnen hebben? Wie stuurt de link naar het e-book even rond in de teamapp? Zet er maar bij dat downloaden in de online bibliotheek gratis is. Dat ík het vertaald hebt, doet er niet toe. Het gaat om de doelpunten.

Komische titel, De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid? Ach, wat zal ik zeggen. Misschien nog een beetje te Duitsig. Als een Duitser zich de benen uit zijn lijf loopt, rent hij zich ‘die Seele aus dem Leib’. Wil hij je iets op het hart drukken, dan wil hij je iets ‘auf die Seele binden’. En doet hij iets ter ontspanning, dan laat hij zijn ‘Seele baumeln’, zijn ziel bungelen. Hoe het met de ziel van een Duitser staat, is hoe een Nederlander in zijn vel zit.

Wat het voor boek is? Geen boek over de ziel, gek genoeg. Al in haar inleiding geeft Sabine Wery von Limont toe dat alles wat mensen zich bij de ziel voorstellen gewoon in hun hersenen zit. En dus heeft zij het over het limbisch systeem, de prefrontale cortex en over cortisol en adrenaline ter verklaring van gevoel en gedrag. Wat is dat, concentratie? Waar komt nervositeit vandaan? Hoe werken angst, afhankelijkheid en genot? Je kunt het allemaal afpellen en verklaren. En eraan werken. Ja, echt! Wetenschappelijk bewezen!

En dat is wat onze jongens moeten doen. Natuurlijk, die bal moet heen en weer over het veld en af en toe bij de tegenstander in de netten, maar uiteindelijk is voetbal toch een psychologisch spelletje. Heel logisch eigenlijk. Als je je angstgegner hebt uitgeschakeld, sta je altijd met 1-0 voor, zegt de bondscoach in mij.

Mooie schijnbeweging toch, een boek zweverig De ziel noemen en vervolgens alle ballen op de hersengebieden en de neurotransmitters spelen? Ja, dat vonden de boekhandelaren en de lezers ook toen het verscheen. Ze lieten zich en masse in de luren leggen en gingen kluitjesvoetbal spelen met Kieft, Basta, Frenkie en Derksen. Jongens jongens, wat een gogme!

Zo, hebben spelers en staf het boek inmiddels op hun e-reader staan? Of nog gauw de papieren editie besteld? En alle andere Nederlanders ook? Mooi, dan komt het alsnog goed met de verkoopcijfers van dit geweldige boek – en wordt dat EK óók een grande succes. Hup Oranje! Nog even wat zelfreflectie en dan knallen met die ballen!


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Behoorlijk rad

Als vertaler heb je nogal eens uit te leggen waarom je maar één kant op vertaalt. Dat er vast een paar genieën op de wereld rondlopen die zich moeiteloos in meerdere talen kunnen uitdrukken, maar dat er voor de meeste stervelingen toch een flinke kloof gaapt tussen je heel aardig kunnen redden in een vreemde taal en de taalbeheersing die nodig is om alles wat het raffinement van de handleiding van een broodrooster overstijgt met enige smaak te kunnen vertalen.

Wat natuurlijk ook een understatement is, want handleidingen vertalen is vast nog lastig genoeg.

Ik ben het Duits heel aardig machtig, al zeg ik het zelf. Ik ben geen germanist, maar heb redelijk wat tijd in Duitstalige landen doorgebracht en hou mijn Duits op peil met boeken, films, podcasts, sociale media en kranten. Maar toch. Als ik een mailtje aan een Duitse uitgever of auteur moet tikken, heb ik het zweet in mijn handen staan en google ik altijd een paar zinnen om te controleren of ze echt Duits zijn, of dat alleen maar lijken.

Tot mijn grote geruststelling las ik laatst dat mijn held Stefan Zweig, die aan het begin van zijn carrière o.m. Paul Verlaine en Emile Verhaeren in het Duits vertaalde, nogal wat taalfouten maakte in de brieven aan “zijn” Franstalige auteurs. De geniale polyglot Stefan Zweig nota bene!

Om toch wat ontspannener Duits te gaan praten en te schrijven, heb ik onlangs een tandempartner opgescharreld. Sinds een paar weken spreek ik zo nu en dan af met een Oostenrijker die al tien jaar hier in Rotterdam woont, maar in het dagelijks leven nauwelijks Nederlands praat, omdat de voertaal op zijn werk Engels is en hij in zijn vrije tijd het liefst boeken leest en films kijkt. We praten dan om de beurt Nederlands en Duits en verbeteren elkaars onhandigheden omzichtig. ‘Als ik wat minder binnen had gezeten, maar gewoon lid was geworden van een voetbalvereniging, had ik allang goed Nederlands gesproken,’ verzuchtte hij laatst in foutloos Nederlands.

Ik zei dat hij daar een punt had, maar dat zijn Nederlands al behoorlijk rad was. En in mijn beste Duits vertelde ik dat ik in de tijd dat ik in Wenen en Berlijn woonde óók vooral met mijn neus in de boeken had gezeten. En dat dat misschien wel het heerlijkste aan die tijd was geweest: dat ik me ongegeneerd had kunnen terugtrekken met mijn boeken en met niemand over koetjes en kalfjes had hoeven kletsen. En dat ik óók daarom vertaler was geworden: om maar niet bij koffieautomaten en in bedrijfskantines te hoeven staan.

Mijn beste Duits is heel aardig, maar het was natuurlijk toch even zoeken naar vlotte equivalenten van “daar heb je een punt”, “behoorlijk rad” en “koetjes en kalfjes”. Al hakkelend werd ik me bewust van de ironie van de situatie, maar er schoten me in de gauwigheid en in het Duits geen relativerende geintjes te binnen.


De illustratie bij deze post is van Peter van Dyck, gevonden op de schitterende blog Reading and art.

Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Vertalen uit dweepzucht

Niet lang geleden vertaalde ik een boek over autisme. Over hoe die aandoening “werkt”, wat er anders is in het hoofd van iemand met autisme en hoe je je daarin kunt proberen te verplaatsen. Een mooi boek, geen wereldliteratuur. Voor een ambitieuze vertaler: een welkom tussendoortje.

Ik kreeg, zoals dat gaat, een stapeltje presentexemplaren van de uitgeverij. Eentje zette ik in de kast en de rest deelde ik uit aan vrienden en bekenden. En ik schreef een blogje, natuurlijk, over hoe ik hoopte dat het boek een succes zou worden.

Gisteren kwam een kennis met tranen in haar ogen vertellen wat voor geweldig boek het was. Dat ze er zo veel aan had gehad en dat ze haar zoon, die autistisch is, nu beter begreep. Dat er puzzelstukjes op hun plaats waren gevallen. Terwijl ik dit tik, schieten ook mij de tranen in de ogen. Ja. Ik ken haar zoon een beetje. Zo’n fantastisch jochie, en zo moeilijk om contact mee te maken.

Er zijn veel uitstekende redenen om vertaler te worden. Een daarvan was voor mij, denk ik, dat ik een dweper ben. Ik smijt graag zo nu en dan een boek op tafel, brullend dat het geweldig is en dat de hele wereld het moet lezen. Nu! Morgen! Gisteren! Schrik niet, schrik niet, ik doe voorzichtig met boeken en ik brul in stilte. Maar zo voelt het als ik een Ontzagwekkend Goed Boek uit heb. Als smijten en brullen. En dan wil ik nu, morgen, gisteren beginnen met vertalen.

Soms ontdek je dan dat het meesterwerk dat je net hebt ontdekt al jaren geleden vertaald is, of dat een “concullega” de vertaling net heeft ingeleverd bij de uitgeverij. Soms moet je na lang leuren concluderen dat er in Nederland écht geen markt is voor die cultheld van jou die ook in Duitsland nog moet doorbreken. Of, en dat misschien nog wel het vaakst, dat uitgevers betrekkelijk weinig belangstelling hebben voor het gedweep van een onbekende vertaler.

Om vertalers aan het werk te houden tijdens de coronacris, heeft het Letterenfonds een subsidieregeling opgetuigd voor het maken van fragmentvertalingen. Steun voor armlastige, dweepzieke vertalers als ik dus. Subsidie om uitgevers en tijdschriftredacties te overtuigen dat dat pareltje dat jij ontdekt hebt écht moet worden uitgegeven. Zodra ik van de regeling hoorde, heb ik een aanvraag ingediend – en de subsidie toegekend gekregen. Jeuh!

De komende tijd kan ik aan de slag om het werk van een van mijn helden aan de man te brengen. Matthias Nawrat, onthoud die naam. Ik heb behoorlijk met zijn laatste boek, Der traurige Gast, op tafel zitten slaan toen ik dat voor het eerst las en er flink bij staan brullen dat iedereen het moest lezen. Nu! Morgen! Gisteren!

Stel je voor, dat er eerst een uitgever hapt, en dat er dan een tijdje later een ontroerde lezer voor de deur staat. Dan mag je al mijn blogjes over de penibele financiële situatie van vertalers vergeten.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

De schuld van alles

Als je morgen een winkel moest beginnen, wat voor winkel zou dat dan worden? Een kattencafé? Een koffiebar? Ga je computers verkopen? Tweedehands auto’s? Bouwmaterialen? Financiële adviezen?

In Vertalië heerst enige opwinding door artikelen van Annemart Pilon in vakblad Filter en NRC Handelsblad over de honorering van literair vertalers. Kort samengevat: om hongersnoden in Vertalië te voorkomen, stelden vertalers en uitgevers in 1973 een modelcontract op, met onder meer een minimum woordprijs. Maar inmiddels beschouwen veel uitgevers dat minimum als een globale richtprijs, die ze ook al een jaar of tien niet meer wensen te indexeren.

Worden er nu stakingen afgekondigd? Steken dappere vertalers hun klompen in de productielijnen voor literatuur? Bestormen ze het Malieveld met hun laptops? Zijn de boekwinkels leeg, nu de consumenten er weer voor het eerst zonder afspraak binnen kunnen lopen?

Nee hoor, niets daarvan. Hoe vol de boekwinkels liggen, hoeveel geld de winkeliers nog in kas hadden om hun voorraden aan te vullen, staat nog te bezien. Maar de opwinding in Vertalië beperkt zich tot likes en retweets op social media (‘Goed dat het eens gezegd wordt Annemart!’) en een agressief soort berusting in mailgroepen voor vertalers (‘Zal ik nog eens uitleggen hoe we in 1973 dat normbedrag hadden vastgesteld?’).

We kunnen de uitgevers de schuld van alles geven, en de overheid die ons niet beschermt en niet ruimhartig genoeg steunt ook. Maar we hebben de ellende natuurlijk óók aan onszelf te danken. Als wij vertalers morgen een winkel moeten beginnen, beginnen we een antiquariaat. Liefst een stoffige winkel met zo veel mogelijk boeken en zo weinig mogelijk klanten, bij voorkeur zonder uithangbord aan de gevel. Zodat we lekker veel tijd overhouden voor datgene waar het werkelijk om gaat. Datgene waarmee we al ons hele leven de werkelijkheid op afstand houden: lezen, herlezen en nog eens herlezen.

‘Wat zeg je? Verdient de gemiddelde vertaler met zijn academische opleiding, zijn twintig jaar werkervaring en zijn vijftigurige werkweek minder dan een bijstandsinkomen? Hm, daar zeg je wat. Ja. Ja. Wat? Kijken getalenteerde studenten wel uit om vertaler te worden? Hm, da’s interessant wat je daar zegt. Ja. Zeker. Maar zeg, heb je het nieuwe boek van de schrijfster van Doe het licht uit als het donker wordt al gelezen? Heb je gezien hoe prachtig zij de elliptische bijzin gebruikt? En de puntkomma? Zo mooi! Hè, wat zeg je? Staat er op de deur dat mijn winkel gesloten is? Ja? Oh? Terwijl de winkels eindelijk weer open kunnen? Ja. Ja! Weergaloos toch? Dat vind ik echt. En dat kommagebruik! Fas-ci-ne-rend gewoon!’


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Stefan Zweig gedenken in Artis

Zodra dat weer kan, ga ik naar Artis om Stefan Zweig te gedenken. Ja, Stefan Zweig, de man van De wereld van gisteren en al die andere indrukwekkende boeken over de menselijke driften, het humanisme en de Europese cultuur. Ongeveer honderd jaar geleden moet hij in Artis hebben rondgelopen. Ha, moet je voorstellen, Stefan Zweig met een zakje pinda’s voor de apen.

Ik las erover in Stefan Zweig. Wie ich ihn erlebte, het prachtige boek dat Friderike Zweig in 1947 over haar ex-echtgenoot publiceerde. Alhoewel, ex-echtgenoot? Dat Stefan zich van haar had laten scheiden en er met zijn secretaresse vandoor was gegaan, kon Friderike hem niet kwalijk nemen. Daarvoor doorzag ze hem te goed en hield ze te veel van hem. Dat hij haar na hun scheiding lange, openhartige brieven bleef schrijven en haar vroeg zijn achternaam te blijven voeren, zei wat haar betreft genoeg.

In hun jonge, gelukkige jaren reisden Stefan en Friderike een keer vanuit België, waar ze regelmatig kwamen, naar Amsterdam. De sfeer was opperbest, maar het was snikheet, schrijft Friderike. Een snelle vertaling: ‘In de mooie dierentuin keken we jaloers toe hoe de neushoorns een bad namen. Stefan begon Nederlands tegen ze te praten, iets wat we al zonder enig succes in plaatselijke restaurants hadden geprobeerd. We hadden enkele woorden geleerd die we mooi vonden, ‘vertrecken’ bijvoorbeeld, en Stefan riep het de neushoorns meermaals toe. Maar ook de dieren begrepen ons niet.’

De volgende dag willen ze vanuit Amsterdam een uitstapje maken naar een ‘bijzonder Hollands plaatsje’, om koper poetsende boerinnen met witte hoofdkapjes te zien. Maar kort voordat ze aan boord zullen stappen van de stoomboot die ze ernaartoe moet brengen, krijgt Zweig zijn bekomst van de hitte en de drukte en besluit dat hij terug wil naar het hotel. Hij wil schrijven. Nee, hij moet schrijven.

Liefdevol en bewonderend beschrijft Friderike ‘haar’ Stefan als een man die andermans driften en angsten scherp doorzag (en bij elke nieuwe publicatie fanmail kreeg van Sigmund Freud), maar bar weinig greep had op zijn eigen geluk en ongeluk. Héél hard werken, héél veel lezen en héél veel schrijven, dat was zijn antwoord op existentiële twijfel. En als hij weer eens overwerkt raakte, ging hij op reis – om in een chic hotel of een gehuurde villa even driftig verder te schrijven. ‘Mooie steden en landschappen waren slechts nieuwe coulissen rond zijn reizende werkplek, waar hij tijdens een zeldzame pauze hoogstens een vluchtige blik op wierp.’

Hard werken en veel lezen zijn inderdaad uitstekende antwoorden op  getob en gepieker. Maar zo nu en dan een dagje de toerist in je eigen leven uithangen kan ook geen kwaad. Zodra de mogelijkheid zich voordoet, ga ik naar Artis. De neushoorns waar Zweig naar heeft staan roepen, zijn er niet meer, die worden maar een jaar of vijftig, las ik zonet op Wikipedia. Misschien dat de schildpadden of de koikarpers zich hem nog herinneren, die schijnen zomaar tweehonderd jaar te kunnen worden. Ik zal ze eens vragen of ze Zweigs werk ook zo zo tijdloos vinden. Of zij ook het gevoel hebben dat hij zijn boeken gisteren geschreven heeft, en dat hij elk moment weer langs kan komen stappen.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.