Worden wat je wil

Misschien kwam het door de tijd van het jaar, door de vallende blaadjes. Misschien kwam het door de ELV-lezing over vertaaltheorie die ik pas had bijgewoond, waarin nog weer eens was uitgelegd hoe onmogelijk vertalen eigenlijk is. Of misschien kwam het doordat ik net een vertaling had ingeleverd bij de uitgeverij en nog niet direct wist hoe en waarom ik aan mijn volgende klus zou beginnen.

Het was zo’n somberte die iedere werkende zo nu en dan overvalt, neem ik aan. De waar-doe-ik-het-allemaal-voor-somberte. Het maar-eigenlijk-kan-ik-dit-helemaal-niet-verdriet. Ja toch? Herkenbaar toch?

En toen was het Kinderboekenweek, thema ‘Worden wat je wil’, en bereikte mij van de school van mijn dochters het verzoek iets over mijn beroep te vertellen. Deed ik niet iets in de bouw? Oh, boekvertaler, ook leuk. Woensdagochtend, zou dat schikken?

Zo kwam het dat ik gisterochtend in groep 5b van “onze” school een spreekbeurt-met-powerpoint stond te houden over hoe dat nou kan, dat Pluk van de Petteflet er óók in het Engels is, dat Pippi Langkous helemaal geen Nederlands boek is, dat de Sjakie van de Chocoladefabriek eigenlijk Charlie heet – en dat die boeken gewoon opnieuw geschreven zijn. Door een vertaler.

Ik vertelde dat het een heel gepuzzel is, een boek vertalen, maar dat als je van puzzelen hield, en van lezen, en als je nieuwsgierig was en van speuren hield, dat er dan geen mooier werk te bedenken was – en dat alle kinderen vooral vertaler moesten worden. Omdat vertalen het allerheerlijkste lezen was dat er bestond.

Of ik de kinderen van groep 5b heb overtuigd, weet ik niet, maar hun vragen waren verdraaide slim (‘Waarom is Nederlands anders dan Duits, als het in het Engels Dutch heet?’) en hun enthousiasme was aanstekelijk (‘Ik ben ook vertaler, want ik praat thuis Somali!’). Onderweg naar huis betrapte ik mezelf op een verende tred, een zonnige blik en frisse moed om met nieuwe klussen aan de slag te gaan.

Als ik het vertalen nog eens zat werd, bedacht ik, kon ik best in het onderwijs gaan werken. Maar voorlopig was daarvan geen sprake. Voorlopig was ik precies ‘wat ik worden wil’.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Welke muggenzifter had het lef?

Tijdens een saai telefoongesprek viel mijn oog op een knop op mijn telefoon die me nooit eerder was opgevallen. “Opnemen” stond eronder. Huh, wat? Ging dat zo gemakkelijk tegenwoordig?

Ik herinnerde me hoe ik vroeger had zitten klungelen met telefonische interviews, in verbeten pogingen journalist te worden. Met een postelastiek om mijn hoofd en een microfoon eronder geklemd had ik gespreksgenoten het vuur na aan de schenen proberen te leggen. Maar natuurlijk schoot de microfoon altijd los zodra een gesprek ook maar een beetje interessant werd.

Voor de gein drukte ik op de opneemknop en zo zat ik dat saaie gesprek direct na afloop alweer terug te luisteren. Daarbij vloog het schaamrood me naar de kaken, want ik merkte dat allerlei dingen die mijn zus me had verteld gewoon niet tot me waren doorgedrongen (sorry Marleen, als je dit leest), en dat er iemand aan het gesprek had deelgenomen wiens stemgeluid me onbekend voorkwam. Maar dat was ik natuurlijk zelf.

Iets dergelijks is me overkomen met een vertaling die ik anderhalf jaar geleden maakte en waarvoor ik een vertaalbeurs kreeg van het Letterenfonds. Bij de toekenning van zo’n beurs hoort dat een commissie van deskundigen de kwaliteit van je vertaling tegen het licht houdt wanneer je een nieuwe beursaanvraag indient. Is je werk een beetje beurswaardig?

‘Nee, helaas,’ luidde het oordeel van de commissie deze zomer. Ik ontplofte toen ik de brief kreeg. Wel god nog aan toe, welke muggenzifter had het lef? Wat voor kommaneuker… Welke, welke… Enzovoort. Hoe zit dat ook alweer met de fases van rouw? Eerst protest, dan ontkenning, dan verdriet en tot slot acceptatie? Zo werkte het bij mij zo’n beetje.

De afgelopen tijd heb ik de gewraakte vertaling zitten bestuderen. Aanvankelijk vol bewondering voor mijn eigen onvoorstelbare vertaalvaardigheid, maar na verloop van tijd met hetzelfde ongeloof dat me besloop bij het beluisteren van die telefoonopname. Waarom had ik niet opgemerkt wat mijn “gesprekspartner” éigenlijk had willen zeggen, en vooral hóe die dat had willen zeggen? Waar had ik gezeten met mijn gedachten?  Waar had ik nou zo ontzettend mijn best op zitten doen?

Na mijn afstuderen heb ik een tijd geprobeerd om journalist te worden. Met een dictafoon en een notitieblok in de aanslag rende ik rond om sappige quotes te verzamelen, tot ik doorkreeg dat al die zogenaamde feiten me niet gingen brengen waar ik wilde komen. Ik gaf de journalistiek eraan en besloot vertaler te worden.

Ik heb nu een stuk of tien boeken vertaald en kom tot de ontdekking dat die jaren met dat elastiek om mijn hoofd me meer hebben gevormd dan ik zelf in de gaten heb gehad. De striem van dat postelastiek is verdwenen, maar de neiging om zoveel mogelijk informatie zo efficiënt mogelijk bij de lezer naar binnen te trechteren zit er nog steeds in. Die heeft me in de weg gezeten bij die vertaling waar de commissie – terecht dus – zo streng over oordeelde.

Dat ik na jarenlang hardnekkig proberen geen journalist ben geworden, was omdat er geen journalist in me zat. Stiekem wist ik dat ook wel. Dat ik bij het vertalen nog steken laat vallen, vind ik alleen maar interessant en leerzaam, omdat ik weet dat er wél een vertaler in me zit. Mede dankzij de beoordelaars van het Letterenfonds krijg ik steeds beter in de gaten hoe mijn eigen stem klinkt. En hoe nauwkeurig je moet luisteren om te horen wat er éigenlijk gezegd wordt.


Foto afkomstig van pxfuel.com. | Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Hoge bloeddruk, snot voor ogen

Sorry mensen, het is hier veel te lang stil geweest. Mijn laatste update was van eind juni, zie ik. Twee maanden geleden nota bene.

Ja, natuurlijk heb ik ook vakantie gevierd. Twee weken maar liefst, op Terschelling, tussen een stapel boeken en het strand, het was heerlijk. Verder heb ik de halve zomer naar een deadline toe gepeesd. Nu die gehaald is, kan ik me weer om dit dagboek bekommeren.

Wat voor deadline ik precies gehaald heb, kan ik u helaas niet vertellen. Collega-vertalers die een idioot grote klus hadden aangenomen en daar onder dreigden te bezwijken, schakelden mij in als redacteur en meelezer.

Mijn eigen klus had een ruime deadline. Dus terwijl mijn collega’s en ik ons het snot voor ogen tikten, kon het vertaalbeest dat ik eerder zelf geschoten had rustig besterven.

Het was wel even slikken, toen ik twee weken geleden het bestand opende dat ik eerder had opgeslagen in de veronderstelling dat ik er alleen nog wat tikfoutjes uit hoefde te halen.

Ik bleek zinnen aan elkaar geplakt te hebben waar een punt tussen hoorde, ik had punten gezet waar komma’s hoorden en nog veel meer gekkigheid uitgehaald. Alle zinnen die er in het origineel hortend en stotend uit kwamen, vloeiden in mijn versie zonder enige weerstand over de pagina’s. Waarom in godsnaam?

Soms is het goed als een vertaling een tijdje kan liggen voordat je hem inlevert, dat heb ik ervan geleerd. En het kan ook geen kwaad zo nu en dan op je vingers te worden getikt door een strenge beoordelingscommissie van het Letterenfonds. Daarover een volgende keer meer.

Ik weet niet hoe druk het is in uw sector, maar sinds ik terug ben van vakantie, heb ik al drie boeken aangeboden gekregen. Een klein jaar werk in totaal. Ook de uitgevers zijn weer terug van vakantie, zoveel is mij duidelijk. En zou de coronacrisis soms voorbij zijn?

Voor twee van de aangeboden titels waren de deadlines idioot strak, daar heb ik vriendelijk maar beslist voor bedankt. Voor het derde boek was de planning prettig realistisch, die heb ik aangenomen.

De vakantie is voorbij, ik ben uitgerust en zit vol goede voornemens. De belangrijkste twee: me nooit, nooit, nooit laten opjagen door uitgevers met deadlines waar mijn bloeddruk van stijgt en de kwaliteit van mijn werk van daalt. En, natuurlijk, weer regelmatig dagboekstukjes tikken.


Foto afkomstig van pxfuel.com. | Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Het gaat om de doelpunten

Voordat we de achtste finales ingaan, moeten we even de verdere strategie bespreken. U en ik, als schaduwcoaches van het Nederlands elftal. Zeker, er is van alles om tevreden over te zijn. De flanken, de zonedekking, het omschakelen, uitstekend op orde allemaal. Maar je ziet aan ‘de koppies’ dat er op mentale vlak nog winst te halen is. Ik denk: zeker 15 procent.

Omdat ik naast mijn werk als bondscoach ook werkzaam ben als vertaler, weet ik hoe we tot de halve finales kunnen doordringen. En misschíen wel tot de finale, afhankelijk van de mentale groei die onze tegenstanders tot die tijd doormaken. Want laten we de tegenstanders niet vergeten. Klassieke fout!

In De Volkskrant las ik dat Stefan de Vrij de inspiratie voor zijn spel onder meer haalt uit het werk van Eckhart Tolle, Deepak Chopra en Bouke de Boer. Alle respect, belangrijke denkers. Maar als we echt naar het volgende level willen met ons loopwerk en ons kopwerk, dan denk ik dat we ook Sabine Wery von Limont in het spel moeten brengen.

Wat denkt u? Zouden onze jongens De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid nog voor zondagmiddag uit kunnen hebben? Wie stuurt de link naar het e-book even rond in de teamapp? Zet er maar bij dat downloaden in de online bibliotheek gratis is. Dat ík het vertaald hebt, doet er niet toe. Het gaat om de doelpunten.

Komische titel, De ziel. Graadmeter voor je psychische gezondheid? Ach, wat zal ik zeggen. Misschien nog een beetje te Duitsig. Als een Duitser zich de benen uit zijn lijf loopt, rent hij zich ‘die Seele aus dem Leib’. Wil hij je iets op het hart drukken, dan wil hij je iets ‘auf die Seele binden’. En doet hij iets ter ontspanning, dan laat hij zijn ‘Seele baumeln’, zijn ziel bungelen. Hoe het met de ziel van een Duitser staat, is hoe een Nederlander in zijn vel zit.

Wat het voor boek is? Geen boek over de ziel, gek genoeg. Al in haar inleiding geeft Sabine Wery von Limont toe dat alles wat mensen zich bij de ziel voorstellen gewoon in hun hersenen zit. En dus heeft zij het over het limbisch systeem, de prefrontale cortex en over cortisol en adrenaline ter verklaring van gevoel en gedrag. Wat is dat, concentratie? Waar komt nervositeit vandaan? Hoe werken angst, afhankelijkheid en genot? Je kunt het allemaal afpellen en verklaren. En eraan werken. Ja, echt! Wetenschappelijk bewezen!

En dat is wat onze jongens moeten doen. Natuurlijk, die bal moet heen en weer over het veld en af en toe bij de tegenstander in de netten, maar uiteindelijk is voetbal toch een psychologisch spelletje. Heel logisch eigenlijk. Als je je angstgegner hebt uitgeschakeld, sta je altijd met 1-0 voor, zegt de bondscoach in mij.

Mooie schijnbeweging toch, een boek zweverig De ziel noemen en vervolgens alle ballen op de hersengebieden en de neurotransmitters spelen? Ja, dat vonden de boekhandelaren en de lezers ook toen het verscheen. Ze lieten zich en masse in de luren leggen en gingen kluitjesvoetbal spelen met Kieft, Basta, Frenkie en Derksen. Jongens jongens, wat een gogme!

Zo, hebben spelers en staf het boek inmiddels op hun e-reader staan? Of nog gauw de papieren editie besteld? En alle andere Nederlanders ook? Mooi, dan komt het alsnog goed met de verkoopcijfers van dit geweldige boek – en wordt dat EK óók een grande succes. Hup Oranje! Nog even wat zelfreflectie en dan knallen met die ballen!


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Behoorlijk rad

Als vertaler heb je nogal eens uit te leggen waarom je maar één kant op vertaalt. Dat er vast een paar genieën op de wereld rondlopen die zich moeiteloos in meerdere talen kunnen uitdrukken, maar dat er voor de meeste stervelingen toch een flinke kloof gaapt tussen je heel aardig kunnen redden in een vreemde taal en de taalbeheersing die nodig is om alles wat het raffinement van de handleiding van een broodrooster overstijgt met enige smaak te kunnen vertalen.

Wat natuurlijk ook een understatement is, want handleidingen vertalen is vast nog lastig genoeg.

Ik ben het Duits heel aardig machtig, al zeg ik het zelf. Ik ben geen germanist, maar heb redelijk wat tijd in Duitstalige landen doorgebracht en hou mijn Duits op peil met boeken, films, podcasts, sociale media en kranten. Maar toch. Als ik een mailtje aan een Duitse uitgever of auteur moet tikken, heb ik het zweet in mijn handen staan en google ik altijd een paar zinnen om te controleren of ze echt Duits zijn, of dat alleen maar lijken.

Tot mijn grote geruststelling las ik laatst dat mijn held Stefan Zweig, die aan het begin van zijn carrière o.m. Paul Verlaine en Emile Verhaeren in het Duits vertaalde, nogal wat taalfouten maakte in de brieven aan “zijn” Franstalige auteurs. De geniale polyglot Stefan Zweig nota bene!

Om toch wat ontspannener Duits te gaan praten en te schrijven, heb ik onlangs een tandempartner opgescharreld. Sinds een paar weken spreek ik zo nu en dan af met een Oostenrijker die al tien jaar hier in Rotterdam woont, maar in het dagelijks leven nauwelijks Nederlands praat, omdat de voertaal op zijn werk Engels is en hij in zijn vrije tijd het liefst boeken leest en films kijkt. We praten dan om de beurt Nederlands en Duits en verbeteren elkaars onhandigheden omzichtig. ‘Als ik wat minder binnen had gezeten, maar gewoon lid was geworden van een voetbalvereniging, had ik allang goed Nederlands gesproken,’ verzuchtte hij laatst in foutloos Nederlands.

Ik zei dat hij daar een punt had, maar dat zijn Nederlands al behoorlijk rad was. En in mijn beste Duits vertelde ik dat ik in de tijd dat ik in Wenen en Berlijn woonde óók vooral met mijn neus in de boeken had gezeten. En dat dat misschien wel het heerlijkste aan die tijd was geweest: dat ik me ongegeneerd had kunnen terugtrekken met mijn boeken en met niemand over koetjes en kalfjes had hoeven kletsen. En dat ik óók daarom vertaler was geworden: om maar niet bij koffieautomaten en in bedrijfskantines te hoeven staan.

Mijn beste Duits is heel aardig, maar het was natuurlijk toch even zoeken naar vlotte equivalenten van “daar heb je een punt”, “behoorlijk rad” en “koetjes en kalfjes”. Al hakkelend werd ik me bewust van de ironie van de situatie, maar er schoten me in de gauwigheid en in het Duits geen relativerende geintjes te binnen.


De illustratie bij deze post is van Peter van Dyck, gevonden op de schitterende blog Reading and art.

Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Vertalen uit dweepzucht

Niet lang geleden vertaalde ik een boek over autisme. Over hoe die aandoening “werkt”, wat er anders is in het hoofd van iemand met autisme en hoe je je daarin kunt proberen te verplaatsen. Een mooi boek, geen wereldliteratuur. Voor een ambitieuze vertaler: een welkom tussendoortje.

Ik kreeg, zoals dat gaat, een stapeltje presentexemplaren van de uitgeverij. Eentje zette ik in de kast en de rest deelde ik uit aan vrienden en bekenden. En ik schreef een blogje, natuurlijk, over hoe ik hoopte dat het boek een succes zou worden.

Gisteren kwam een kennis bijna met tranen in haar ogen vertellen wat voor geweldig boek het was. Dat ze er zo veel aan had gehad en dat ze haar zoon, die autistisch is, nu beter begreep. Dat er puzzelstukjes op hun plaats waren gevallen. Terwijl ik dit tik, schieten ook mij de tranen in de ogen. Ja. Ik ken haar zoon een beetje. Zo’n fantastisch jochie, en zo moeilijk om contact mee te maken.

Er zijn veel uitstekende redenen om vertaler te worden. Een daarvan was voor mij, denk ik, dat ik een dweper ben. Ik smijt graag zo nu en dan een boek op tafel, brullend dat het geweldig is en dat de hele wereld het moet lezen. Nu! Morgen! Gisteren! Schrik niet, schrik niet, ik doe voorzichtig met boeken en ik brul in stilte. Maar zo voelt het als ik een Ontzagwekkend Goed Boek uit heb. Als smijten en brullen. En dan wil ik nu, morgen, gisteren beginnen met vertalen.

Soms ontdek je dan dat het meesterwerk dat je net hebt ontdekt al jaren geleden vertaald is, of dat een “concullega” de vertaling net heeft ingeleverd bij de uitgeverij. Soms moet je na lang leuren concluderen dat er in Nederland écht geen markt is voor die cultheld van jou die ook in Duitsland nog moet doorbreken. Of, en dat misschien nog wel het vaakst, dat uitgevers betrekkelijk weinig belangstelling hebben voor het gedweep van een onbekende vertaler.

Om vertalers aan het werk te houden tijdens de coronacris, heeft het Letterenfonds een subsidieregeling opgetuigd voor het maken van fragmentvertalingen. Steun voor armlastige, dweepzieke vertalers als ik dus. Subsidie om uitgevers en tijdschriftredacties te overtuigen dat dat pareltje dat jij ontdekt hebt écht moet worden uitgegeven. Zodra ik van de regeling hoorde, heb ik een aanvraag ingediend – en de subsidie toegekend gekregen. Jeuh!

De komende tijd kan ik aan de slag om het werk van een van mijn helden aan de man te brengen. Matthias Nawrat, onthoud die naam. Ik heb behoorlijk met zijn laatste boek, Der traurige Gast, op tafel zitten slaan toen ik dat voor het eerst las en er flink bij staan brullen dat iedereen het moest lezen. Nu! Morgen! Gisteren!

Stel je voor, dat er eerst een uitgever hapt, en dat er dan een tijdje later een ontroerde lezer voor de deur staat. Dan mag je al mijn blogjes over de penibele financiële situatie van vertalers vergeten.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

De schuld van alles

Als je morgen een winkel moest beginnen, wat voor winkel zou dat dan worden? Een kattencafé? Een koffiebar? Ga je computers verkopen? Tweedehands auto’s? Bouwmaterialen? Financiële adviezen?

In Vertalië heerst enige opwinding door artikelen van Annemart Pilon in vakblad Filter en NRC Handelsblad over de honorering van literair vertalers. Kort samengevat: om hongersnoden in Vertalië te voorkomen, stelden vertalers en uitgevers in 1973 een modelcontract op, met onder meer een minimum woordprijs. Maar inmiddels beschouwen veel uitgevers dat minimum als een globale richtprijs, die ze ook al een jaar of tien niet meer wensen te indexeren.

Worden er nu stakingen afgekondigd? Steken dappere vertalers hun klompen in de productielijnen voor literatuur? Bestormen ze het Malieveld met hun laptops? Zijn de boekwinkels leeg, nu de consumenten er weer voor het eerst zonder afspraak binnen kunnen lopen?

Nee hoor, niets daarvan. Hoe vol de boekwinkels liggen, hoeveel geld de winkeliers nog in kas hadden om hun voorraden aan te vullen, staat nog te bezien. Maar de opwinding in Vertalië beperkt zich tot likes en retweets op social media (‘Goed dat het eens gezegd wordt Annemart!’) en een agressief soort berusting in mailgroepen voor vertalers (‘Zal ik nog eens uitleggen hoe we in 1973 dat normbedrag hadden vastgesteld?’).

We kunnen de uitgevers de schuld van alles geven, en de overheid die ons niet beschermt en niet ruimhartig genoeg steunt ook. Maar we hebben de ellende natuurlijk óók aan onszelf te danken. Als wij vertalers morgen een winkel moeten beginnen, beginnen we een antiquariaat. Liefst een stoffige winkel met zo veel mogelijk boeken en zo weinig mogelijk klanten, bij voorkeur zonder uithangbord aan de gevel. Zodat we lekker veel tijd overhouden voor datgene waar het werkelijk om gaat. Datgene waarmee we al ons hele leven de werkelijkheid op afstand houden: lezen, herlezen en nog eens herlezen.

‘Wat zeg je? Verdient de gemiddelde vertaler met zijn academische opleiding, zijn twintig jaar werkervaring en zijn vijftigurige werkweek minder dan een bijstandsinkomen? Hm, daar zeg je wat. Ja. Ja. Wat? Kijken getalenteerde studenten wel uit om vertaler te worden? Hm, da’s interessant wat je daar zegt. Ja. Zeker. Maar zeg, heb je het nieuwe boek van de schrijfster van Doe het licht uit als het donker wordt al gelezen? Heb je gezien hoe prachtig zij de elliptische bijzin gebruikt? En de puntkomma? Zo mooi! Hè, wat zeg je? Staat er op de deur dat mijn winkel gesloten is? Ja? Oh? Terwijl de winkels eindelijk weer open kunnen? Ja. Ja! Weergaloos toch? Dat vind ik echt. En dat kommagebruik! Fas-ci-ne-rend gewoon!’


Foto door Seth Werkheisercc-by-sa-2.0 | Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Stefan Zweig gedenken in Artis

Zodra dat weer kan, ga ik naar Artis om Stefan Zweig te gedenken. Ja, Stefan Zweig, de man van De wereld van gisteren en al die andere indrukwekkende boeken over de menselijke driften, het humanisme en de Europese cultuur. Ongeveer honderd jaar geleden moet hij in Artis hebben rondgelopen. Ha, moet je voorstellen, Stefan Zweig met een zakje pinda’s voor de apen.

Ik las erover in Stefan Zweig. Wie ich ihn erlebte, het prachtige boek dat Friderike Zweig in 1947 over haar ex-echtgenoot publiceerde. Alhoewel, ex-echtgenoot? Dat Stefan zich van haar had laten scheiden en er met zijn secretaresse vandoor was gegaan, kon Friderike hem niet kwalijk nemen. Daarvoor doorzag ze hem te goed en hield ze te veel van hem. Dat hij haar na hun scheiding lange, openhartige brieven bleef schrijven en haar vroeg zijn achternaam te blijven voeren, zei wat haar betreft genoeg.

In hun jonge, gelukkige jaren reisden Stefan en Friderike een keer vanuit België, waar ze regelmatig kwamen, naar Amsterdam. De sfeer was opperbest, maar het was snikheet, schrijft Friderike. Een snelle vertaling: ‘In de mooie dierentuin keken we jaloers toe hoe de neushoorns een bad namen. Stefan begon Nederlands tegen ze te praten, iets wat we al zonder enig succes in plaatselijke restaurants hadden geprobeerd. We hadden enkele woorden geleerd die we mooi vonden, ‘vertrecken’ bijvoorbeeld, en Stefan riep het de neushoorns meermaals toe. Maar ook de dieren begrepen ons niet.’

De volgende dag willen ze vanuit Amsterdam een uitstapje maken naar een ‘bijzonder Hollands plaatsje’, om koper poetsende boerinnen met witte hoofdkapjes te zien. Maar kort voordat ze aan boord zullen stappen van de stoomboot die ze ernaartoe moet brengen, krijgt Zweig zijn bekomst van de hitte en de drukte en besluit dat hij terug wil naar het hotel. Hij wil schrijven. Nee, hij moet schrijven.

Liefdevol en bewonderend beschrijft Friderike ‘haar’ Stefan als een man die andermans driften en angsten scherp doorzag (en bij elke nieuwe publicatie fanmail kreeg van Sigmund Freud), maar bar weinig greep had op zijn eigen geluk en ongeluk. Héél hard werken, héél veel lezen en héél veel schrijven, dat was zijn antwoord op existentiële twijfel. En als hij weer eens overwerkt raakte, ging hij op reis – om in een chic hotel of een gehuurde villa even driftig verder te schrijven. ‘Mooie steden en landschappen waren slechts nieuwe coulissen rond zijn reizende werkplek, waar hij tijdens een zeldzame pauze hoogstens een vluchtige blik op wierp.’

Hard werken en veel lezen zijn inderdaad uitstekende antwoorden op  getob en gepieker. Maar zo nu en dan een dagje de toerist in je eigen leven uithangen kan ook geen kwaad. Zodra de mogelijkheid zich voordoet, ga ik naar Artis. De neushoorns waar Zweig naar heeft staan roepen, zijn er niet meer, die worden maar een jaar of vijftig, las ik zonet op Wikipedia. Misschien dat de schildpadden of de koikarpers zich hem nog herinneren, die schijnen zomaar tweehonderd jaar te kunnen worden. Ik zal ze eens vragen of ze Zweigs werk ook zo zo tijdloos vinden. Of zij ook het gevoel hebben dat hij zijn boeken gisteren geschreven heeft, en dat hij elk moment weer langs kan komen stappen.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Zou een selfie helpen?

Wist je dat het vrijdag Wereld Autismedag is? Ik weet dat omdat er net een vertaling van me uit is, een boek over autisme. Nooit bij stilgestaan hoe interessant dat is, tot ik er – samen met Irene Dirkes – een boek over vertaalde: De jongen die te veel voelde van journalist Lorenz Wagner. En nu is het bijna autismedag en zit ik op besprekingen te wachten. Op talkshow-items, paginavullende auteursinterviews, trending hashtags – en drommen voor de boekhandels natuurlijk.

Het leven van een vertaler kan nerve wracking zijn, kan ik je vertellen. Een maand of wat ga je volledig op in een onderwerp of een personage. Een maand of wat vereenzelvig je je met je auteur en diens boek, en dan, na een altijd véél te lange radiostilte bij de uitgeverij, is daar plotseling dat boek dat weliswaar van een ander is, maar ook van jou. Heel erg van jou zelfs!

‘Zojuist verschenen! Mijn #vertaling van dit #meesterwerk ligt nú in de #boekhandel!’ twitter je dan als trotse vertaler. Natuurlijk met een olijke selfie met boek erbij. En drie weken later, als je mazzel hebt: ‘Vier sterren in de Volkskrant voor deze #meeslepende #bestseller! #Steunjeboekhandel’. Dat laatste natuurlijk uit onbaatzuchtige liefde voor je lokale boekverkoper.

Ik ben geen autismekenner, ik weet niet of De jongen die te veel voelde van Lorenz Wagner hét boek over autisme is, met álle nieuwste inzichten uit het vakgebied. Maar ik weet wel dat dit een meeslepend, ontroerend boek is dat veel mensen de ogen zou kunnen openen. Over wat autisme nou éigenlijk is. Hoe autisme “werkt”, en hoe kort geleden dat nog maar is ontdekt. En Lorenz Wagner houdt je een spiegel voor: kijk nou eens hoe gejaagd je leven is. En hoeveel aandacht heb jíj eigenlijk voor mensen die anders zijn dan jijzelf?

Daarmee zijn nog maar een paar aspecten van dit boek aangestipt. Maar laat ik mijn neiging onderdrukken om hier een grootse beschouwing op te zetten, of de loftrompet te steken. Ik ben geen autismekenner, ik ben geen recensent, geen uitgever, geen boekmarketeer en geen redacteur. Ik ben vertaler en mijn werk aan dit boek zit er al een tijdje op. Het enige wat ik hoef te doen is af te wachten hoe het boek onthaald zal worden, en door te tikken aan mijn volgende klus.

Maar  gemakkelijk gaat me dat niet af, moet ik zeggen. Gewoon, omdat ik het boek zo door en door ken, en zo haarfijn in de gaten heb hoe goed en hoe interessant het is. Het boek is verschenen, vrijdag is het autismedag, de spanning stijgt. Krijgt het  de aandacht die het verdient? Zullen mensen het wel goed genoeg lezen?

Het is niet mijn boek, De jongen die te veel voelde, maar zo voelt het wel. Wat denk je, als ik vrijdag nou eens twitter dat het #autismedag is en dat iedereen als de #wiedeweerga #dejongendieteveelvoelde moet #kopen? Misschien met een leuke selfie erbij? Zou dat helpen?


Naschrift: inmiddels hebben AD en NRC mooie artikelen aan dit boek gewijd. En er stond een ontroerde lezer op mijn stoep.

Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

Mijn eerste grote liefde

Ik zal niet over madeleine-koekjes beginnen en ik zal proberen mijn zinnen overzichtelijk te houden. En ik ga de zaken niet ingewikkelder maken dan ze zijn, want ze zijn eigenlijk heel simpel.

Zo simpel als de openingsmaten van ‘Gimme Shelter’, voor wie daar ook mee is opgegroeid. Zo simpel als plotseling de geur van sigarettenrook in een Perzisch tafelkleed, voor wie bij die geur ook het gevoel heeft dat hij weer bij zijn grootmoeder op schoot zit en dat de wereld goed is. De instinctieve herkenning: ja, zo zit de wereld in elkaar.

Ik heb Thomas Bernhard zitten lezen de afgelopen dagen. Ik was somber geworden van de verkiezingsuitslag en had zin gekregen in een scheldkanonnade, een schotschrift van een nestbevuiler, een aanklachtboek, een zelfmoordboek, een inktzwart vernietigingsboek. En ik herinnerde me dat ik Houthakken ongelezen in de kast had staan. Ja verdorie, Thomas Bernhard, daar was het tijd voor.

In deze roman, recent vertaald door Chris Bakker en Pauline de Bok en verschenen bij Uitgeverij IJzer, observeert een naamloze ik-figuur van middelbare leeftijd, een schrijver, een avond lang zijn vriendengroep van weleer. Hij is min of meer per ongeluk uitgenodigd voor een ‘kunstzinnig avondmaal’ en heeft die uitnodiging om ondoorgrondelijke redenen geaccepteerd. En daar zit hij, in een oorfauteuil te midden van de Weense intelligentsia, bedenkend wat voor vergissing het is dat hij is komen opdagen. Dat hij deze mensen niet voor niets decennia lang heeft ontlopen. Dat ze uit zijn op zijn vernietiging. Op elkaars vernietiging. Dat het stuk voor stuk mislukte kunstenaars en kansloze alcoholisten zijn. Dat ze de bekrompenheid, de achterlijkheid, de hypocrisie van Oostenrijk vertegenwoordigen. En dat hij ze haat, afgrondelijk haat.

Begin jaren negentig, toen Thomas Bernhard nog niet zo lang dood was en de verontwaardiging die steevast oplaaide bij de publicatie van zijn boeken en de premières van zijn toneelstukken nog vers in het geheugen lag, werden er een aantal van zijn boeken vertaald. En uitgegeven, dat ook nog wel. Grootse successen werden het niet, ik kocht ze bij De Slegte van mijn vakkenvullerssalaris. Ik was veertien, vijftien, zestien, ik haatte de wereld en ik las Thomas Bernhard. Voor een prikkie, dat dan weer wel.

Er verstreken vijfentwintig jaar en van een puistige, vakkenvullende puber veranderde ik in een verstandige huisvader, een echtgenoot met grijzende slapen, een vertaler, een Stefan Zweig-liefhebber, een gezonde wandelaar en een optimist. Omdat een mens maar beter een optimist kan zijn. Nietwaar?

En toen stond dat boek met dat inktzwarte omslag in mijn kast en was er die aanleiding om het te lezen – en was ik weer terug bij mijn eerste grote liefde. De bijtende, bezwerende taal van Thomas Bernhard. Zijn eindeloze herhalingen. Zijn scheldkanonnades. Zijn sarcasme. Zijn verwensingen. Zijn zelfhaat. Zijn verachting van het middelmatige.

Drie levensfases en twintig (of dertig, of veertig?) meter boekenplank leeservaring verder las ik zó verder waar ik als puber gebleven was. De herkenning was overweldigend. Ja, zo zat de wereld in elkaar. Zo was literatuur bedoeld. Zo smaakte een madeleine-koekje.

Driewerf hulde, dus, voor de uitgever en de vertalers van dit boek. En driewerf hulde, dus, voor het Nederlandse volk dat in zijn mateloze wijsheid de enig juiste verkiezingsuitslag bij elkaar heeft gestemd. Hoera voor ons, we gaan schitterende jaren tegemoet! Ik ga Thomas Bernhard lezen.


Op de hoogte blijven van mijn blog? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.